Vrouw van een dominee – idealen en realiteit

Ik krijg veel reacties op mijn blogs over mijn ervaringen als dominee’s vrouw. Veel mensen zeggen zich nooit gerealiseerd te hebben dat ik me zus of zo voelde in de periode die ik beschrijf en voelen zich ergens wat bezwaard. Hadden we dat niet moeten weten? Het is natuurlijk wel zo dat ik in retroperspectief schrijf. Veel van wat ik nu kan benoemen had ik toen zelf ook niet door en had ik ook niet tot uitdrukking kunnen brengen.

Wat een domineesvrouw behoorde te zijn had ik niet meegekregen uit mijn directe omgeving. Ik ben die rol dus zelf gaan invullen vanuit gedachtegoed dat ik me in de loop der jaren had eigen gemaakt. Vooral vanuit praktische, meestal evangelisch getinte lektuur. Over dienstbaar zijn, actief en missionair zijn in de gemeente, de aangename geur van het evangelie verspreiden onder iedereen die je tegen komt. Liefhebben zoals Jezus ons heeft lief gehad. Gastvrij zijn. En nog een aantal van dergelijke idealen waar ik warm van werd als ik erover las. Daar kon niets mis mee zijn.

In Korea had ik echter een heel ander leven achter de rug dan wat ik nu ging leiden als vrouw van een dominee, met een gezin van vier opgroeiende kinderen, zonder huishoudelijke hulp, met een schema van vijf verschillende mensen – met sport, muziek, catechisatie, zwemles, fysio, om de scholen nog maar niet te noemen met alle ouder-, rapport- en kijkavonden.  Wist ik veel? Wij hadden een beschermd leventje geleid, met nauwelijks sociale verplichtingen. Als de telefoon ging schrokken we: wie zou dat zijn? Huishoudelijke hulp, altijd ‘s avonds thuis, uren voorlezen aan de kinderen uit Lord of the Rings, schrijven, koken, lezen. Ik had een vertekend beeld gekregen van wat ik aankon als persoon.

En nu dus dat intens drukke leven van een (groot) gezin in Nederland, de verplichtingen van het predikant-zijn die altijd samen vielen met die van de kinderen wat betreft tijdstip, het eindeloze huishouden symbolisch samengevat in de eeuwige was en het weer leren leven in de Westerse cultuur. Helaas was er in die tijd nog geen begeleiding voor terugkerende kerkelijk werkers vanuit een buitenland situatie. Wellicht was ik me dan meer bewust geworden van de zwaarte van dat begin en had ik mezelf meer tijd gegund. Maar vanuit mijn jeugd kwamen de eisen van een opgeruimd en schoon huis, vanuit mijn aard de drang een perfecte moeder te willen zijn voor de kinderen en keurig aansluitend op die aard, het er volkomen willen zijn als vrouw van de dominee. Een recept voor rampspoed.

Was het enkel kommer en kwel die eerste jaren?
Nee, absoluut niet. Ik analyseer nu waarom het later wel mis moest gaan. Maar ondanks dat het moeilijke eerste jaren waren heb ik ook veel heel goede en warme herinneringen. Allereerst praktisch. Om vanuit de redelijk abominabel gebouwde huizen die we in Korea altijd hadden in een kant en klare pastorie te komen wonen was een verademing. Voor ons was centrale verwarming inmiddels een ongekende luxe geworden, na jaren kolen gestookt te moeten hebben. Warm blijven in de winter was een enorme opgave en echtgenoot droomt er nog wel eens van. Het dragen van lang ondergoed en lagen kleding was een voorwaarde. In het begin waren we vast voornemens dat ook in Nederland te blijven doen om stookkosten te besparen. Maar om met lang ondergoed onder je kleding op bezoek te gaan bij mensen die de kachel op 21 hebben staan was een ware kwelling. Dat hebben we dus snel afgeleerd en de lange onderbroeken en hemden verdwenen in de kast

We genoten van alle comfort van een Nederlands huis. De kinderen allemaal een eigen kamer in plaats van met drie op één, de oudste een ruime zolderkamer in plaats van een pijpenlaatje. De keuken werd verbouwd nadat we onze intrek hadden genomen in de pastorie, maar terwijl mijn moeder gek werd van de rommel en het primitieve gedoe tijdens de verbouwing merkte ik daar geen last van te hebben, gewend als ik was aan redelijk primitieve condities als geen warm water, tijdelijke kastruimte en esthetisch gezien onaantrekkelijke ruimtes. Het feit dat daar aan gewerkt werd was voor mij al voldoende om blij te zijn.

Onze dochter die we in Korea geadopteerd hadden kreeg in Zaandam voor het eerst de zorg en aandacht die ze voor haar handicap (Cerebrale Parese) nodig had. In het ziekenhuis kwam ze onder behandeling van een revalidatieteam dat haar geweldig ondersteunde op alle gebied. Ze kreeg voor het eerst een rolstoel, een fiets en aanpassingen in huis zoals een hoger toilet. Ze was zoveel meer mobiel dan in Korea waar de slechte, vaak steile wegen het naar buiten gaan bemoeilijkten.

Ook was het fijn na jaren van gedeeltelijk begrepen preken in het Koreaans, die we ter plekke vertaalden zo goed en kwaad als het ging voor de kinderen die konden lezen, om nu op zondag weer hele diensten te kunnen volgen, met broers en zussen het geloof te kunnen delen en lieve aandacht te krijgen. In Korea waren we geëerde gasten en werden we met alle egards behandeld maar vrienden maken was moeilijk. Nu maakten we vrienden en genoten van een meer sociaal leven. Op de koffie gaan bij mensen na de kerk, eten bij nabije kerkgenoten, een borreltje drinken bij leeftijdsgenoten. Wel ergens altijd op de achtergrond in mijn hoofd de opmerking, ooit meegekregen tijdens onze periode in Kampen op de Theologische Universiteit, ‘geen vrienden maken in de gemeente’. Gewetensvol als ik was, maakte ik me dan zorgen. Echtgenoot vond dat, tot mijn opluchting, onzin. Ik ben een mens en een mens heeft vrienden nodig, ook al ben je predikant, zei hij dan luchtig.

Eén factor heb ik nog niet genoemd. Onlangs zag ik op internet De Wandeling met daarin  oud-burgemeester Annemiek Toonen van Culemborg over de impact van privé problemen op je publieke functioneren. Haar man was alcoholist. Op den duur legde dat zo’n druk op haar dat ze in haar werk fouten ging maken en uiteindelijk moest aftreden als burgemeester. Een tragische loop van omstandigheden.

Ik was dan wel geen burgemeester en echtgenoot geen alcoholist, maar toch was haar verhaal herkenbaar. In ons geval speelde iets dergelijks. De psychische problemen van mijn oudste zus waren dermate ernstig en haar situatie legde zo’n emotioneel beslag op mij dat het een wonder is dat ik daarnaast toch nog allerlei dingen gedaan kreeg in het leven van alledag.

Eigenlijk is de periode Zaandam geheel gekleurd door alles wat er zich afspeelde met en rond haar.

3 gedachtes over “Vrouw van een dominee – idealen en realiteit

  1. annette

    Allemaal weer zo herkenbaar Margreet! En zeker de impact van prive problemen op publiek functioneren. maar daarnaast ook heel veel fijne en goede dingen! Dat ervoer ik soms als een voorrecht waar je soms verlegen onder werd!

  2. henriette

    Ook bij mij zeker veel herkenning (bv het advies geen vrienden te maken in eigen gemeente). Het toonbaar moeten zijn van je huis en van jezelf, geen gekke dingen uithalen (ook niet door je kinderen). Wij zijn dan wel Nederlands Hervormd van oorsprong, later PKN ( en nu alweer 7 jaar in Belgie dus VPKB), sommige dingen waren en zijn toch wel ongeveer hetzelfde. Kinderen die naar bed moeten terwijl je man naar een vergadering/ catechese/ huisbezoek moet. Weer een rapportenbespreking waar je alleen heengaat, een afzwemmen waar je alleen heengaat omdat er een begrafenis tussenkomt enz. Wat die dingen betreft is de gemeente hier een stuk rustiger, kleiner.
    Ik weet nog dat we in onze eerste gemeente kwamen, net student af. Toen was je ineens Mevrouw en Dominee, je voornaam verdwenen. Heel blij zijn wij geweest met de tweemaandelijkse bijeenkomst van alle ring/ classis predikanten waarbij ook de partners aanwezig waren. Gewoon een gezellig samenzijn, geen zware thema,s ofzo maar wel de mogelijkheid om even vanje af te praten waar je mee zat, even “onder mekaar” . De meesten waren jonge gezinnen, net nieuw begonnen, konden van elkaar en van de ouderen leren.
    Kleine troost voor jullie, vanuit Dedemsvaart hadden jullie kinderen ook moeten reizen. Ik weet dat er in Hardenberg wel vrijgemaakt middelbaar onderwijs is maar toen alleen maar klas 1 en 2 vwo, daarna naar Zwolle. Dat zal voor Dedemsvaart ook wel gelden.
    Henriette

  3. Willemien Wierenga-Bremmer

    Die vrienden, ja, mijn ouders hadden die stelling ook. Ze gingen vrienden pas tutoyeren als ze naar een andere plaats verhuisden. Daarvoor bleef het ‘meneer’ /dominee en ‘mevrouw’ over en weer, hoe goed ze ook met elkaar omgingen. En als de deurbel ging, dan moesten wij als een haas alles opruimen, want de ‘mensen’ moesten wel zien dat mama een goede huisvrouw was. En dat was ze echt niet van nature! Af en toe merk ik bij mijzelf dat die gewoonte van vroeger nog in mij woont: als er iemand langs komt, begin ik ook als een dwaas snel op te ruimen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s