Vrouw van een dominee 8, Koffie of thee?

Ik had laatst een afspraak bij een specialist. Hij heeft een praktijk aan huis, vertelde de dame die de afspraak met me maakte door de telefoon. Ik zette mijn fiets tegen een boom en zocht bij het huis met het juiste nummer naar de patiënten ingang. Die was er blijkbaar niet. Er was maar één deur, de voordeur.  Naast de voordeur zat een naamplaatje met de naam van de arts, die ik herkende. Maar verder geen aanduiding van zijn beroep. Er stond namelijk familie NN. Ik twijfelde of de praktijk toch niet elders zou zijn, maar adres en naam klopten exact.

Enigszins in verlegenheid belde ik toch maar aan. Door het raam van de woonkamer zag ik iemand in beweging komen. Misschien personeel met koffiepauze, dacht ik nog. De deur werd geopend door een vrouw. Ze liet me binnen, nam vriendelijk mijn jas aan en wees naar de gang, ik kon doorlopen. Automatisch zocht ik een deur met het bordje wachtkamer. Maar de vrouw haalde me in, liep voor me uit, een kamer in en verwachtte duidelijk dat ik haar zou volgen. Het verbaasde me dat ik zo persoonlijk ontvangen werd. De vrouw zou wel de assistente zijn, maar zoals ze mijn jas had opgehangen aan de kapstok en me zo hartelijk ontving..Dat had ik nog nooit eerder meegemaakt bij een arts of hulpverlener. Vreemd.

De dame wees me een stoel en wat ongemakkelijk ging ik zitten. Ik was namelijk in de woonkamer terecht gekomen. Daar bestond geen twijfel over. Leuk en comfortabel ingericht. De tv stond aan, met het geluid uit. Ik was duidelijk aan het storen. De vrouw, ze moest wel de echtgenote van de arts zijn, zei me dat ik nog even geduld moest hebben. De vorige afspraak van haar man was uitgelopen. Of ik misschien een kop koffie wilde tijdens het wachten? Thee kon ook. Ze liep al richting de keuken toen ik op de gang stemmen hoorde. De voordeur opende en de patiënt voor me liep langs het raam richting haar auto. De arts stak zijn hoofd om de hoek van de deur: ga je mee? Uit de keuken riep zijn echtgenote dat ze de koffie wel boven kwam brengen.

Ik was in een soort artsenparadijs terecht gekomen, dacht ik, terwijl ik achter de arts aan de trap op, naar boven liep, richting zijn praktijkruimte, die ergens naast de slaapkamers was. Ik voelde dat ik inbreuk maakte op de privacy van deze mensen, maar kon het ook niet helpen. Blijkbaar vond deze specialist het zo prima. Privé en werk met elkaar verweven.

Bovenstaande situatie is natuurlijk fantasie. Bij mijn weten hebben alleen predikanten lange tijd hun beroep uitgeoefend zoals boven beschreven. Ergens, in een tot studeerkamer omgebouwde slaapkamer, op de eerste of tweede verdieping van hun huis. Bezoekers moe(s)ten dwars door het huis, soms onder de was aan het wasrek door, en over de rommel heen van kinderen of tieners.

Tegenwoordig is er steeds meer sprake van studeerkamers buitenshuis, of gescheiden van de privé woonsituatie. En dat is een enorme verbetering. Ik kan het weten, want  ik ben een ervaringsdeskundige.


bloomingville_opberger_koffie_thee_suiker_976059(1)

Ik ben gastvrij van nature. Vind het ook niet moeilijk om af en toe een praatje te maken met deze of gene. Maar de voortdurende verweving van werk en privé in het leven van een predikant en zijn gezin, is niet goed voor een mens. Dan lag ik lekker lui (eindelijk, na mijn werk) op de bank een detective te kijken, kwam de afspraak voor mijn echtgenoot van negen uur al om half negen, (koffie of thee?) Of de afspraak van zeven uur moest na afloop van gesprek of catechisatie wachten op een lift, die dan pas na een halfuur op kwam dagen (koffie of thee?). Of echtgenoot wachtte tot de koffie was doorgelopen en bleef met het bezoek een halfuur beneden plakken (koffie of thee?).

Koffie of thee, hoe vaak heeft dat zinnetje niet uit mijn mond geklonken?

bloomingville_opberger_koffie_thee_suiker_976059(1)Goeie afspraken maken aan de keukentafel. Wie doet de deur open? Wie zet de koffie of thee? Een koffiezetapparaat in de studeerkamer is al een hele verbetering. En een elektrische waterketel voor de theeleuten. Het vergt voorbereiding. De spullen moeten er staan. Een voorraad kopjes en glazen. Het lijkt simpel, maar vereist toch enige doordenking. Het zou voor ons beter zijn geweest. Beter nog een aparte studeerruimte die niet middenin het zenuwcentrum van ons huis lag, met een dunne wand gescheiden van slaapkamers van kinderen of mezelf.

Er is nu aandacht voor. Uit het oogpunt van professionaliteit. Of privacy. Of om, door scherpere scheiding tussen werk en privé, een burnout te voorkomen.

Maar ook voorheen zouden velen met mij zich vreemd gevoeld hebben om door de vrouw van hun arts (of andersom bijvoorbeeld)ontvangen te worden en ergens boven in het huis een consult te krijgen naast de slaapkamer van de kinderen.

Waarom vonden we het toch zo gewoon van een predikant? Ik zou graag reacties krijgen. Vooral collega predikantsvrouwen! Ben erg benieuwd naar jullie ervaringen hierin. Als ik het zo opschrijf lijkt het egocentrisch en liefdeloos, maar ik ben ervan overtuigd dat het geen goede situatie was. Is het nu beter? Het was niet alleen zo omdat ik niet werkte, bijvoorbeeld, want dat deed ik wel, vanaf midden jaren negentig. Het had (heeft?) echt te maken met de toch weinig geprofessionaliseerde wijze van bezoekers ontvangen. Het ontbreken van een wachtruimte, het ontbreken van faciliteiten voor koffie/thee, het ontbreken van een goede werkruimte.

bloomingville_opberger_koffie_thee_suiker_976059(1)Ik raad alle aanstaande predikanten met hun vrouwen aan alleen een studeer/werkruimte in de pastorie te accepteren, mits die een eigen ingang heeft, met mogelijke wachtruimte. Het is echt een voorwaarde voor gezond en vrolijk predikantsvrouw zijn!

En dan kun je zelf de tijden bepalen waarop je met plezier aan je bezoek uit de kerk de vraag kan stellen: Koffie of thee?

Vrouw van een dominee 6, Idealen en realiteit

Ik krijg veel reacties op mijn blogs over mijn ervaringen als dominee’s vrouw. Veel mensen zeggen zich nooit gerealiseerd te hebben dat ik me zus of zo voelde in de periode die ik beschrijf en voelen zich ergens wat bezwaard. Hadden we dat niet moeten weten? Het is natuurlijk wel zo dat ik in retroperspectief schrijf. Veel van wat ik nu kan benoemen had ik toen zelf ook niet door en had ik ook niet tot uitdrukking kunnen brengen.

Wat een domineesvrouw behoorde te zijn had ik niet meegekregen uit mijn directe omgeving. Ik ben die rol dus zelf gaan invullen vanuit gedachtengoed dat ik me in de loop der jaren had eigen gemaakt. Vooral vanuit praktische, meestal evangelisch getinte lectuur. Over dienstbaar zijn, actief en missionair zijn in de gemeente, de aangename geur van het evangelie verspreiden onder iedereen die je tegen komt. Liefhebben zoals Jezus ons heeft lief gehad. Gastvrij zijn. En nog een aantal van dergelijke idealen waar ik warm van werd als ik erover las. Daar kon niets mis mee zijn.

In Korea had ik echter een heel ander leven achter de rug dan wat ik nu ging leiden als vrouw van een dominee, met een gezin van vier opgroeiende kinderen, zonder huishoudelijke hulp, met een schema van vijf verschillende mensen – met sport, muziek, catechisatie, zwemles, fysio, om de scholen nog maar niet te noemen met alle ouder-, rapport- en kijkavonden.  Wist ik veel? Wij hadden een beschermd leventje geleid, met nauwelijks sociale verplichtingen. Als de telefoon ging schrokken we: wie zou dat zijn? Huishoudelijke hulp, altijd ‘s avonds thuis, uren voorlezen aan de kinderen uit Lord of the Rings, schrijven, koken, lezen. Ik had een vertekend beeld gekregen van wat ik aankon als persoon.

En nu dus dat intens drukke leven van een (groot) gezin in Nederland, de verplichtingen van het predikant-zijn die altijd samen vielen met die van de kinderen wat betreft tijdstip, het eindeloze huishouden symbolisch samengevat in de eeuwige was en het weer leren leven in de Westerse cultuur. Helaas was er in die tijd nog geen begeleiding voor terugkerende kerkelijk werkers vanuit een buitenland situatie. Wellicht was ik me dan meer bewust geworden van de zwaarte van dat begin en had ik mezelf meer tijd gegund. Maar vanuit mijn jeugd kwamen de eisen van een opgeruimd en schoon huis, vanuit mijn aard de drang een perfecte moeder te willen zijn voor de kinderen en keurig aansluitend op die aard, het er volkomen willen zijn als vrouw van de dominee. Een recept voor rampspoed.

Was het enkel kommer en kwel die eerste jaren?
Nee, absoluut niet. Ik analyseer nu waarom het later wel mis moest gaan. Maar ondanks dat het moeilijke eerste jaren waren heb ik ook veel heel goede en warme herinneringen. Allereerst praktisch. Om vanuit de redelijk abominabel gebouwde huizen die we in Korea altijd hadden in een kant en klare pastorie te komen wonen was een verademing. Voor ons was centrale verwarming inmiddels een ongekende luxe geworden, na jaren kolen gestookt te moeten hebben. Warm blijven in de winter was een enorme opgave en echtgenoot droomt er nog wel eens van. Het dragen van lang ondergoed en lagen kleding was een voorwaarde. In het begin waren we vast voornemens dat ook in Nederland te blijven doen om stookkosten te besparen. Maar om met lang ondergoed onder je kleding op bezoek te gaan bij mensen die de kachel op 21 hebben staan was een ware kwelling. Dat hebben we dus snel afgeleerd en de lange onderbroeken en hemden verdwenen in de kast

We genoten van alle comfort van een Nederlands huis. De kinderen allemaal een eigen kamer in plaats van met drie op één, de oudste een ruime zolderkamer in plaats van een pijpenlaatje. De keuken werd verbouwd nadat we onze intrek hadden genomen in de pastorie, maar terwijl mijn moeder gek werd van de rommel en het primitieve gedoe tijdens de verbouwing merkte ik daar geen last van te hebben, gewend als ik was aan redelijk primitieve condities als geen warm water, tijdelijke kastruimte en esthetisch gezien onaantrekkelijke ruimtes. Het feit dat daar aan gewerkt werd was voor mij al voldoende om blij te zijn.

Onze dochter die we in Korea geadopteerd hadden kreeg in Zaandam voor het eerst de zorg en aandacht die ze voor haar handicap (Cerebrale Parese) nodig had. In het ziekenhuis kwam ze onder behandeling van een revalidatieteam dat haar geweldig ondersteunde op alle gebied. Ze kreeg voor het eerst een rolstoel, een fiets en aanpassingen in huis zoals een hoger toilet. Ze was zoveel meer mobiel dan in Korea waar de slechte, vaak steile wegen het naar buiten gaan bemoeilijkten.

Ook was het fijn na jaren van gedeeltelijk begrepen preken in het Koreaans, die we ter plekke vertaalden zo goed en kwaad als het ging voor de kinderen die konden lezen, om nu op zondag weer hele diensten te kunnen volgen, met broers en zussen het geloof te kunnen delen en lieve aandacht te krijgen. In Korea waren we geëerde gasten en werden we met alle egards behandeld maar vrienden maken was moeilijk. Nu maakten we vrienden en genoten van een meer sociaal leven. Op de koffie gaan bij mensen na de kerk, eten bij nabije kerkgenoten, een borreltje drinken bij leeftijdsgenoten. Wel ergens altijd op de achtergrond in mijn hoofd de opmerking, ooit meegekregen tijdens onze periode in Kampen op de Theologische Universiteit, ‘geen vrienden maken in de gemeente’. Gewetensvol als ik was, maakte ik me dan zorgen. Echtgenoot vond dat, tot mijn opluchting, onzin. Ik ben een mens en een mens heeft vrienden nodig, ook al ben je predikant, zei hij dan luchtig.

Eén factor heb ik nog niet genoemd. Onlangs zag ik op internet De Wandeling met daarin  oud-burgemeester Annemiek Toonen van Culemborg over de impact van privé problemen op je publieke functioneren. Haar man was alcoholist. Op den duur legde dat zo’n druk op haar dat ze in haar werk fouten ging maken en uiteindelijk moest aftreden als burgemeester. Een tragische loop van omstandigheden.

Ik was dan wel geen burgemeester en echtgenoot geen alcoholist, maar toch was haar verhaal herkenbaar. In ons geval speelde iets dergelijks. De psychische problemen van mijn oudste zus waren dermate ernstig en haar situatie legde zo’n emotioneel beslag op mij dat het een wonder is dat ik daarnaast toch nog allerlei dingen gedaan kreeg in het leven van alledag.

Eigenlijk is de periode Zaandam geheel gekleurd door alles wat er zich afspeelde met en rond haar.

Vrouw van een dominee 4, 1988-2011 – Eerste ervaringen

Zaandam.Evangelisch-Lutherse_Maartenkerk.13_sept.2009.02

In november 1988 verhuisden we naar de pastorie in Zaandam. Echtgenoot werd bevestigd als predikant in de mooie, 18e eeuwse Lutherse Kerk-met-zand-op-de-vloer, met een hele stoet gasten aanwezig in de dienst. Het kerkgebouw werd gehuurd door de vrijgemaakt-gereformeerden in die tijd. Mijn schoonouders kwamen over uit Amerika, mijn moeder (vader was in 1986 overleden) was er bij, dolblij  ons eindelijk in de buurt te hebben. Mijn broers en zussen waren er, met aanhang, neefjes, nichtje, een aantal goeie vrienden. Het was een grote groep. Iemand zei: er waren nog nooit zoveel gasten aanwezig geweest bij de bevestiging van een predikant. Ik voelde onmiddellijk de (zeer waarschijnlijk onbedoelde) correctie: dit is overdreven, dit hoort niet …De gevoeligheid die me in de komende decennia vaak parten zou spelen: niet weten hoe het precies hoort. Of je je daar veel van aantrekt ligt aan het soort karakter wat je hebt. Mijn karakter maakte dat ik meestal gewoon wilde behoren bij de groep. Tot op zekere hoogte dan. Waar dat aan lag? Dat onzekere gevoel? Ik denk gedeeltelijk aan het terugkeren uit het buitenland na een langere periode en zoeken naar hoe de (kerkelijke) cultuur ook alweer in elkaar steekt.

Ik kwam ook ‘terug’ in een kerkelijke gemeenschap waarin ik niet was opgegroeid. Dat vergt enige achtergrond informatie.

Mijn achtergrond was wel vrijgemaakt-gereformeerd, maar mijn roots lagen in de groep die later de Nederlands Gereformeerde Kerk zou vormen. Mijn ouders waren overtuigde aanhangers van ds. Vonk, van wie mijn broers en zussen allemaal catechisatie kregen. In Schiedam, mijn geboortestad. Er heerste in ons gezin een soort anti-kerkse sfeer. Redelijk relaxed over dingen als op zondag een ijsje kopen (nou, in de vakantie dan). Ik ben de jongste en heb duidelijk vrijere herinneringen dan mijn broers en zussen. Mijn ouders waren in de loop van de tijd makkelijker geworden. In de vrijgemaakte kerk vond in de jaren zestig en zeventig een kerkelijke strijd plaats, die uiteindelijk tot een scheuring leidde. De inhoud van de hele kerkstrijd ging aan mij voorbij, ik was er te jong voor. Maar de sterk gepolariseerde sfeer in de kerken maakte dat je als kind automatisch, als door osmose, ook koos: voor of tegen.

Om een lang verhaal iets korter te maken, na als oudere tiener een tijd zonder kerk te hebben doorgebracht kwam ik door echtgenoot, na een korte omweg, terecht in de vrijgemaakte kerk (binnen verband, zoals het toen nog heette). In de kerk die ik als kind altijd gekarakteriseerd had horen worden als: stijf, liefdeloos, alleen maar geïnteresseerd in regels en wat dies meer zij. Het was dus een hele stap om daar nu lid te zijn. Mijn ervaring was heel anders dan me van te voren werd voorgespiegeld. Uiteraard, want het was een karikatuur, zoals er over de andere kant ook karikaturen bestonden.

Wat heeft dit nu voor gevolgen gehad voor mijn eerste ervaringen als vrouw van een dominee in een vrijgemaakte kerk? Ik denk dat het mij aan de ene kant wat rebels maakte: ik ben niet stijf en ouderwets en ik heb in de hele wereld, buiten de vrijgemaakte kerk, kinderen van God ontmoet die allemaal een eigen wijze van kerk-zijn beoefenen. Maar het maakte ook onzeker. Wat kan ik verwachten? Wat moet ik doen om over te komen, om erbij te horen, met behoud van mijn ervaringen en overtuigingen?

Want ik zag wel een taak liggen voor me in de gemeente. Betrokken zijn, meedoen, zieken bezoeken, mensen helpen. Mijn rolmodel was een vriendin uit Korea. Mensen uit de gemeente daar noemden haar een engel. Dat leek mij ook fijn. Wie wil er nou geen engel genoemd worden?

Vrouw van een dominee 3, 1988-2011 – Zaandam, zorgen en zoeken

Na 8 jaar Korea en een halfjaar Bunschoten-Spakenburg werd het dus Zaanstad waar we ons vestigden. Een stedelijke omgeving, geen vrijgemaakt bolwerk-met-school en een praktische, voor ons gezin prima geschikte pastorie. De gemeenteleden die we ontmoet hadden tijdens de kennismakingsdag waren toegankelijk en we voelden ons op ons gemak. Waar beoordeel je uiteindelijk welke gemeente het wordt wanneer je er vijf hebt om uit te ‘kiezen’? Het is vleiend en geruststellend wanneer er meerdere gemeentes belangstelling tonen in jouw man, maar de gemeentes zijn ook weer zo divers dat je je afvraagt wat nu precies de reden is dat ze hem vragen?

We wisten wel vrij snel zeker dat we niet in een plattelandsgemeente passen zouden. We geloofden sterk in continuïteit. Als God je ergens voor heeft ingezet ligt het voor de hand die opgebouwde ervaring verder te gebruiken. We hadden allebei behoefte aan internationale contacten, studenten, cultuur en de uitdaging van een stedelijke omgeving. Niet dat Zaanstad aan al die behoeftes zou gaan voldoen, maar met Amsterdam vlakbij lag het meer voor de hand naar het Zaanse te gaan dan Dedemsvaart of Roden bijvoorbeeld. Zo hebben we er toen in elk geval over nagedacht. Nu vragen we ons wel af of we het belang van de kinderen niet zwaarder hadden moeten laten meewegen. Een grotere gemeente met meer kinderen, een school dichtbij…We hebben hen toen meegegeven dat het fijn is steun te geven aan een gemeente die kleiner was en die meer moest bikkelen. God zegent het wanneer je iets van jezelf weggeeft. Ik geloof dat nog steeds, maar ben wel voorzichtiger geworden in het kinderen daarin meenemen. Iets voor mezelf opgeven is één ding, maar in hoeverre mag ik iets weggeven wat niet van mij is? Ik ben daar niet uit. We hebben het onze kinderen niet makkelijk gemaakt in  de keus voor een (vrijgemaakte) school ver weg en al het reizen wat daar in meekwam.

Ondertussen was ik met alles bezig behalve met internationale contacten en cultuur. Ik heb al eens eerder een blog geschreven over mijn dramatische ervaringen met het huishouden gedurende mijn eerste jaren in Nederland. Dat drukte in z’n volle omvang op mijn schouders na jaren een hulp in huis gehad te hebben die er 3 á 4 dagen in de week was. Ze was lid van ons gezin. Ze deed de was, hield het huis schoon, zorgde voor de kinderen als ik weg moest (die waren gek op haar) en kookte af en toe. Ik had het op mijn manier toch nog druk genoeg (vond ik toen) met vier kinderen.

Pas terug in Nederland realiseerde ik me dat ik helemaal niets gewend was. Lees mijn blog over mijn grootste nachtmerrie, de altijd maar, in een eeuwige cyclus, groeiende aanwezigheid van was in huis. In vieze staat, in gewassen staat, nat; in gewassen staat, droog en ongevouwen; in gewassen staat, gevouwen maar een berg nog ongestreken en uiteindelijk in een staat dat het weer gedragen of gebruikt  kon worden. Meestal zat er zoveel tijd tussen de eerste en de laatste staat dat we vaak in een van de bergen moesten zoeken of iets toe was aan fatsoenlijke dracht. Ik verdronk erin.

Maar ik was nu wel de vrouw van een dominee-met-een-gemeente. Dat betekende dat ik dingen moest doen. Vond ik. Wat moest ik doen? Ik vond niet dat het iets met mijn uiterlijk te maken had. Dacht ik. Maar het schuurde wel van binnen, want ik vond dat ik maar met rare, niet-Nederlandse kleren rondliep. Ik vond ook dat ons huis er eigenlijk raar uitzag. Armoedig. Anders. Bij elkaar geraapt zooitje. Dat hadden we in Korea ook, maar wie gaf daar ook maar ene bal om? (Oh, de rust van het ontbreken van vergelijkingsmateriaal). Maar hier zat ik in een pastorie tussen de ouwe meubelen van iemand anders en ik had geen cent om uit te geven. Dat was allemaal gestoken in noodzakelijke, maar onaantrekkelijke dingen als elektrische apparaten en een auto.

Ik haatte mezelf natuurlijk dat ik zo bezig was met alleen maar zulke triviale zaken. Ik wilde geestelijk bezig zijn. Opbouwend. Positief. Er stond me iets voor de geest als ‘er voor iedereen zijn’, willen zorgen, steunen en helpen waar het maar nodig was.

Liefst niet thuis met de was.

%d bloggers liken dit: