Levende geschiedenis – Zuid Korea 1982

1982 - Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto
1982 – Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto

We woonden nog niet zo lang in Zuid Korea. Ik zie aan de foto dat we nog in ons eerste flatje wonen, Urim Mansion, een nogal weidse naam (Bosrijke Appartementen, zoiets) voor een betonnen blokje met een stuk of 40 woningen. Wel afgelegen, dus minder luchtvervuiling. Vandaar misschien dat Bosrijk.

Een (volgens onze Koreaanse kennissen) beroemde fotograaf, Choi Min Shik, wilde ons fotograferen voor een nieuw te verschijnen boek. Pusan, waar wij woonden, was toen nog een stad waar je weinig buitenlanders tegenkwam, dus een foto van een Westers gezinnetje in zijn boek was een bonus. Het was in een mum gepiept. Onze oudste zong geen liedje op verzoek, onze jongste leefde duidelijk mee in haar dilemma.

Vandaag, op zoek naar een ander boek, vond ik het fotoboek weer in de kast. Met handtekening van de fotograaf voorin. Even Googlen en het blijkt inderdaad een belangrijke fotograaf in de Koreaanse fotografie-geschiedenis. Ik ben het op mijn gemak door gaan bladeren en raakte er helemaal van in de ban. De foto’s zijn rauw en grof van pixel, en stralen een ongekende kracht uit. Dwars door de stad Pusan en elders maakt de fotograaf foto’s van het dagelijkse leven van de Koreanen. Op markten, tijdens uitjes, aan het (zware) werk. Van oude van dagen en pasgeboren baby’s, van kinderen verdiept in hun spel, tot oude mannen, evenzeer verdiept in go-spel. Geweldig mooie beelden in hun alledaagsheid. De armoede en hardheid van het leven van toen spat er af. Maar evenzeer de levenslust, de fierheid en de opgewekte aard van het Koreaanse volk. Wij kwamen daar 27 jaar na het beëindigen van een verwoestende burgeroorlog in 1953. Het land (bijna volledig verwoest en ontbost)  had zich al groots hersteld, maar de armoede was nog zicht- en tastbaar. De gespannen verhouding met Noord Korea (tot op de dag van vandaag een staakt-het-vuren, geen vrede!) legde een zware wissel op de samenleving.

Dat heeft deze fotograaf vastgelegd. Ook voor ons. Nu ik 34 jaar later deze foto’s weer zie, en zelfs mensen herken die daar op straat (onder onmenselijke omstandigheden soms) de kost verdienden, nu realiseer ik me pas hoe arm het Koreaanse volk nog was, maar ook weer, hoe sterk.

The late Choi Min-shik (Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)
The late Choi Min-shik
(Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)

Dat Choi metterdaad een belangrijke fotograaf was/werd blijkt uit het feit dat er in 2013 (jaar van overlijden) in zijn naam een prijs is ingesteld. De eerste in zijn soort in Zuid Korea. Choi kwam zelf uit een arme familie. Hij werd geboren in 1928 (tijdens de Japanse overheersing) en koesterde lange tijd de droom om kunstschilder te worden. Op een kunstacademie in Japan kwam hij in aanraking met het fotowerk van  Edward Steichen: “The Family of Man”. De zwart-wit foto’s troffen hem omdat ze niets verhulden. Dit leidde er toe dat hij zelf de camera oppakte en begon met het vastleggen op beeld van de harde realiteit die het dagelijks leven voor vele Koreanen inhield. Hij was niet geliefd bij het regime van dictator Park Chung hee (net vermoord door zijn body-guard, in 1979, toen wij in Korea aankwamen) die het land alleen als een succesverhaal wilde zien.
(vrij vertaald van http://enkr.blouinartinfo.com/)

Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing
Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing

Oma, moeder, draagt haar kind op de rug, terwijl ze op de markt haar spullen verkoopt. Samen eten ze zo een bakje noodles.

PS Hopelijk is met de bronvermelding het publiceren van deze foto’s niet illegaal…

Vrouw van een dominee 6, Idealen en realiteit

Ik krijg veel reacties op mijn blogs over mijn ervaringen als dominee’s vrouw. Veel mensen zeggen zich nooit gerealiseerd te hebben dat ik me zus of zo voelde in de periode die ik beschrijf en voelen zich ergens wat bezwaard. Hadden we dat niet moeten weten? Het is natuurlijk wel zo dat ik in retroperspectief schrijf. Veel van wat ik nu kan benoemen had ik toen zelf ook niet door en had ik ook niet tot uitdrukking kunnen brengen.

Wat een domineesvrouw behoorde te zijn had ik niet meegekregen uit mijn directe omgeving. Ik ben die rol dus zelf gaan invullen vanuit gedachtengoed dat ik me in de loop der jaren had eigen gemaakt. Vooral vanuit praktische, meestal evangelisch getinte lectuur. Over dienstbaar zijn, actief en missionair zijn in de gemeente, de aangename geur van het evangelie verspreiden onder iedereen die je tegen komt. Liefhebben zoals Jezus ons heeft lief gehad. Gastvrij zijn. En nog een aantal van dergelijke idealen waar ik warm van werd als ik erover las. Daar kon niets mis mee zijn.

In Korea had ik echter een heel ander leven achter de rug dan wat ik nu ging leiden als vrouw van een dominee, met een gezin van vier opgroeiende kinderen, zonder huishoudelijke hulp, met een schema van vijf verschillende mensen – met sport, muziek, catechisatie, zwemles, fysio, om de scholen nog maar niet te noemen met alle ouder-, rapport- en kijkavonden.  Wist ik veel? Wij hadden een beschermd leventje geleid, met nauwelijks sociale verplichtingen. Als de telefoon ging schrokken we: wie zou dat zijn? Huishoudelijke hulp, altijd ‘s avonds thuis, uren voorlezen aan de kinderen uit Lord of the Rings, schrijven, koken, lezen. Ik had een vertekend beeld gekregen van wat ik aankon als persoon.

En nu dus dat intens drukke leven van een (groot) gezin in Nederland, de verplichtingen van het predikant-zijn die altijd samen vielen met die van de kinderen wat betreft tijdstip, het eindeloze huishouden symbolisch samengevat in de eeuwige was en het weer leren leven in de Westerse cultuur. Helaas was er in die tijd nog geen begeleiding voor terugkerende kerkelijk werkers vanuit een buitenland situatie. Wellicht was ik me dan meer bewust geworden van de zwaarte van dat begin en had ik mezelf meer tijd gegund. Maar vanuit mijn jeugd kwamen de eisen van een opgeruimd en schoon huis, vanuit mijn aard de drang een perfecte moeder te willen zijn voor de kinderen en keurig aansluitend op die aard, het er volkomen willen zijn als vrouw van de dominee. Een recept voor rampspoed.

Was het enkel kommer en kwel die eerste jaren?
Nee, absoluut niet. Ik analyseer nu waarom het later wel mis moest gaan. Maar ondanks dat het moeilijke eerste jaren waren heb ik ook veel heel goede en warme herinneringen. Allereerst praktisch. Om vanuit de redelijk abominabel gebouwde huizen die we in Korea altijd hadden in een kant en klare pastorie te komen wonen was een verademing. Voor ons was centrale verwarming inmiddels een ongekende luxe geworden, na jaren kolen gestookt te moeten hebben. Warm blijven in de winter was een enorme opgave en echtgenoot droomt er nog wel eens van. Het dragen van lang ondergoed en lagen kleding was een voorwaarde. In het begin waren we vast voornemens dat ook in Nederland te blijven doen om stookkosten te besparen. Maar om met lang ondergoed onder je kleding op bezoek te gaan bij mensen die de kachel op 21 hebben staan was een ware kwelling. Dat hebben we dus snel afgeleerd en de lange onderbroeken en hemden verdwenen in de kast

We genoten van alle comfort van een Nederlands huis. De kinderen allemaal een eigen kamer in plaats van met drie op één, de oudste een ruime zolderkamer in plaats van een pijpenlaatje. De keuken werd verbouwd nadat we onze intrek hadden genomen in de pastorie, maar terwijl mijn moeder gek werd van de rommel en het primitieve gedoe tijdens de verbouwing merkte ik daar geen last van te hebben, gewend als ik was aan redelijk primitieve condities als geen warm water, tijdelijke kastruimte en esthetisch gezien onaantrekkelijke ruimtes. Het feit dat daar aan gewerkt werd was voor mij al voldoende om blij te zijn.

Onze dochter die we in Korea geadopteerd hadden kreeg in Zaandam voor het eerst de zorg en aandacht die ze voor haar handicap (Cerebrale Parese) nodig had. In het ziekenhuis kwam ze onder behandeling van een revalidatieteam dat haar geweldig ondersteunde op alle gebied. Ze kreeg voor het eerst een rolstoel, een fiets en aanpassingen in huis zoals een hoger toilet. Ze was zoveel meer mobiel dan in Korea waar de slechte, vaak steile wegen het naar buiten gaan bemoeilijkten.

Ook was het fijn na jaren van gedeeltelijk begrepen preken in het Koreaans, die we ter plekke vertaalden zo goed en kwaad als het ging voor de kinderen die konden lezen, om nu op zondag weer hele diensten te kunnen volgen, met broers en zussen het geloof te kunnen delen en lieve aandacht te krijgen. In Korea waren we geëerde gasten en werden we met alle egards behandeld maar vrienden maken was moeilijk. Nu maakten we vrienden en genoten van een meer sociaal leven. Op de koffie gaan bij mensen na de kerk, eten bij nabije kerkgenoten, een borreltje drinken bij leeftijdsgenoten. Wel ergens altijd op de achtergrond in mijn hoofd de opmerking, ooit meegekregen tijdens onze periode in Kampen op de Theologische Universiteit, ‘geen vrienden maken in de gemeente’. Gewetensvol als ik was, maakte ik me dan zorgen. Echtgenoot vond dat, tot mijn opluchting, onzin. Ik ben een mens en een mens heeft vrienden nodig, ook al ben je predikant, zei hij dan luchtig.

Eén factor heb ik nog niet genoemd. Onlangs zag ik op internet De Wandeling met daarin  oud-burgemeester Annemiek Toonen van Culemborg over de impact van privé problemen op je publieke functioneren. Haar man was alcoholist. Op den duur legde dat zo’n druk op haar dat ze in haar werk fouten ging maken en uiteindelijk moest aftreden als burgemeester. Een tragische loop van omstandigheden.

Ik was dan wel geen burgemeester en echtgenoot geen alcoholist, maar toch was haar verhaal herkenbaar. In ons geval speelde iets dergelijks. De psychische problemen van mijn oudste zus waren dermate ernstig en haar situatie legde zo’n emotioneel beslag op mij dat het een wonder is dat ik daarnaast toch nog allerlei dingen gedaan kreeg in het leven van alledag.

Eigenlijk is de periode Zaandam geheel gekleurd door alles wat er zich afspeelde met en rond haar.

Het is een kwestie van balans – Korea 1980-1988

In Nederland verdronk ik de eerste jaren, na onze terugkomst van een verblijf in Zuid-Korea, in de was van een gezin van 6 personen. Onze Koreaanse hulp, die wij adzjoemoni noemden, miste ik pijnlijk. Ze was meer voor me geweest dan een hulp in de huishouding. Eerder had ze me geholpen staande te blijven in de nieuwe wereld waar ik in terecht was gekomen. Ik kende de cultuur niet, sprak de taal niet, kende de gebruiken niet. Zij was er drie of vier dagen in de week en op een heel natuurlijke wijze kreeg ik door haar meer vat op mijn Aziatische omgeving.

Het begon al toen ik nog maar een paar maanden in Pusan woonde. We waren net in ons eigen flatje getrokken in een complex met de weidse naam, Urim Mansion, op de 3e verdieping. Woon- en eetkamer, keuken, twee slaapkamers en een badkamertje. Helemaal niet slecht, zeker vergeleken met onze collega en zijn gezin die op de 1e verdieping waren beland en op een muur uitkeken. Wij keken naar overburen die nog in een primitief boerderijtje woonden.

De jongste was een maand of 6, de oudste 4 jaar. Samen sliepen ze op 1 kamer, dat ging prima voor zover ik me herinner.  Boodschappen doen was een uitdaging. Er waren supermarktjes, grote markten met groenten, vis, vlees, huishoudelijke artikelen en alles wat je maar bedenken kon. Maar zonder de Koreaanse taal te beheersen was het een hele toer de juiste spullen te vinden. De Koreanen spraken geen Engels en kregen onmiddelijk de slappe lach als we probeerden te communiceren. Ze waren in het geheel niet gewend met westerlingen om te gaan.

Als ik weg was paste adzjoemoni op. Dat ging goed, ze was lief en de kinderen mochten haar graag. Maar de eerste keer dat ik haar duidelijk probeerde te maken dat de baby om een bepaalde tijd moest slapen had ze grote moeite me te volgen. Ik snapte het niet waarom het zo moeilijk was. Een baby doet een dutje,(baby aanwijzen en bedje) en op mijn horloge liet ik de tijd zien. Eerst dacht ik dat het kwam omdat ze zelf geen horloge had, dus ik gaf haar het mijne. Ze bleef me aarzelend en onzeker aankijken, maar ik kon gaan.

Later, toen ik beter Koreaans sprak, vertelde ze me dat ze nog nooit op de klok had gekeken om een kind naar bed te brengen. Die combinatie kwam haar heel vreemd voor. Een kind slaapt wanneer het slaapt. Je bindt het op je rug en je ziet wel. Maar een kind wegleggen, helemaal alleen in een bedje, terwijl het nog wakker is, zelfs gaat huilen en dan de deur dichtdoen achter je, kwam op haar over alsof je je kind op straat te vondeling zou leggen. Een kind hou je ten alle tijden bij je.

Toen onze derde daar werd geboren had adzjoemoni  helemaal de neiging om, ware het mogelijk geweest, een melding van verwaarlozing te doen. Een pasgeborene, moederziel alleen in een koude kamer (met kruikjes, dat wel) te slapen leggen en dan maar wachten tot het gaat huilen voor je het weer oppakt…Dat ging haar verstand werkelijk te boven en stak haar als een pijl in haar hart. Ernstig sprak ze me erop aan. Hoe ik dat nu doen kon….

Kijkend door haar ogen ben ik het ook wel vreemd gaan vinden dat we onze kinderen (toen) zo afzonderden. Consultatiebureaus en tradities hadden grote invloed. Rust, reinheid en regelmaat zijn nog steeds een gulden regel, maar de Aziatische aanvulling van de lichamelijke nabijheid van de moeder is wel heel waardevol. Gelukkig zie je tegenwoordig meer die koestering door het dragen van de baby in een draagdoek- of zak.  Het is een kwestie van balans. In Korea droegen de moeders 24 uur per dag de babies met zich mee. Ze sliepen er ’s nachts mee, en overdag droegen ze de baby op hun rug. Al het werk dat gedaan moest worden deden ze op die manier. Soms als de baby in een hele diepe slaap was legden ze het even neer, vlak in de buurt om wat gemakkelijker zich te kunnen bewegen. Maar nooit lang.

Daar zou ik dus gek van geworden zijn.

%d bloggers liken dit: