Rouw doet gewoon pijn

Als de jaren voorbij gaan

Ik denk de laatste tijd veel aan mijn oudste zus Loes, die na jaren van ongelukkig zijn, vergeefs zoekend naar eigen innerlijke kracht, een einde aan haar leven maakte. Het is 29 jaar geleden in juni. 10 maart zou ze 74 jaar geworden zijn. Loes en ik scheelden acht jaar. Toen ze stierf was ik 37 en zij was 45. Ik was jong. Het jongste zusje. Die positie verandert nooit, ook niet wanneer je volwassen bent. Maar wanneer iemand sterft, en jij wordt veel ouder (ik ben nu 66) gebeurt er iets raars. Zij is nu zoveel jonger dan ik. Nu is ze net zo oud als mijn oudste dochter. En ik denk, wat was ze nog jong! En mijn hart doet opnieuw pijn om haar leven en om wat ze niet meer heeft kunnen beleven.

Rouw om wat er niet meer zijn zal

Dat is een van de gezichten van rouw die ik veel beschreven zie in artikelen en boeken, zoals in het prachtige, fijnzinnige en hartverscheurende boekje van P.F. Thomése over de dood van zijn dochtertje als baby van een paar weken oud. Hij kan als geen ander verwoorden wat rouw is. Niet alleen het acute gemis, maar de pijn om wat er nooit was, is en zijn zal. Maar waar je wel op hoopte. Blijkbaar. En naarmate de tijd vordert stapelen die verlieservaringen zich op. Voor een ouder die een kind verliest zó pijnlijk. Niet het eerste lachje van herkenning, niet de eerste woordjes, niet de eerste stapjes en dat gaat zo een leven lang door. Hij/zij zou nu ..-Verlies. Minder rauw wellicht door de jaren heen. Maar toch op gezette tijden steeds weer die mokerslag. Die ervaring wordt nog wel eens vergeten door anderen die (nog) niet door rouw om (jong) gestorven geliefden zijn heen gegaan. Het geldt evengoed voor wie een partner verliest of een ouder. En ook, zeker, voor wie nooit ouder werd of nooit een partner vond. Ook daar is sprake van verlies en rouw, terwijl er nooit een kind of partner was. Dan is het verlies van hoop, een verlangen, een droom. Wat er niet zal zijn kan soms evenveel pijn doen als missen wat er was.

Wat er niet zal zijn kan evenveel pijn doen als missen wat er was.

Herinneringen

Ik heb vaker over mijn zus Loes geschreven. Het gesprek met koningin Maxima waarin ook haar zusje Inés ter sprake kwam bracht Loes weer zo dichtbij dat ik de behoefte voel om over haar te schrijven.

Loes was een zeer intelligente vrouw met een scherpe geest (en tong). Loes deed, als enig meisje, gymnasium B maar ging na haar examen werken als leerling laborante bij Shell, omdat ze zou gaan trouwen. Studeren werd niet verboden, maar ook niet aangemoedigd in ons gezin, denk ik. Mijn vader wantrouwde de universiteit omdat het tot geloofsverlies zou leiden. Wellicht was er ook sprake van financiële barrières? We waren een typisch middenstandsgezin. Hoe dan ook, Loes trouwde met haar jeugdliefde en na verloop van een aantal jaren is ze alsnog gaan studeren. Haar man studeerde in Delft. Zij Nederlandse letterkunde in Leiden. Ik herinner me dat ik voor het eerst iets met haar deelde, namelijk liefde voor taal en boeken. Verder was ik als acht jaar jonger zusje ten diepste bang voor haar. Tegen haar woorden was ik nooit opgewassen en haar temperament beangstigde me. Ze was opvliegend en gauw geïrriteerd. Althans, in mijn beleving. Bij mijn vader riep ze regelmatig woede op en bij mijn moeder een gevoel van machteloosheid, beiden omdat ze haar niet konden weerspreken als ze weer eens een reden had om iets wel of niet te willen doen. Dat leidde tot een ruzieachtige sfeer in het gezin die mij veel angst bezorgde.

Haar eerste man, Gert, vriendje vanaf haar veertiende, was (opnieuw in mijn herinnering) een zachter iemand. Met humor. Wat gesloten. Allengs ontstonden er spanningen in het huwelijk. Mijn zus bewoog zich weg van kerk en geloof. Hoe dat met mijn zwager zat weet ik niet. Alleen weet ik dat hij moeite had met haar nieuwe opvattingen over vrijheid en feminisme. Dat vertelde ze me ooit. Mijn zwager raakte depressief en kreeg behandeling. Werd opgenomen, slikte medicijnen. Midden jaren zeventig weet ik nog dat ze er veel op uit gingen, om weg te zijn van hun bovenwoning in Schiedam, om door de fietstochten afleiding te zoeken. Het was een moeilijke tijd voor beiden.
Het huwelijk liep uit op een scheiding. Ondertussen was Loes lerares Nederlands geworden aan een gymnasium.

Ook haar tweede huwelijk hield geen stand. Dit maakte ik niet mee van dichtbij. Haar tweede man heb ik nauwelijks gekend omdat wij in die periode in het buitenland woonden. Bij een verlof zagen we haar en ik herinner me nog altijd goed hoe lastig ik het vond die eerste paar keer om haar te zien. Ze wilde lange en diepe gesprekken en ik was nog niet zo ver om heel erg naar mezelf te kijken. Ik was vooral vrouw en moeder en het wonen in Korea en het leren van de taal gaven me voldoening en zelfvertrouwen. Ik was niet bezig met ‘zielenroerselen’, zoals zij. Ze was ook niet gelovig en had allerlei opvattingen die ik niet deelde maar ook niet goed kon weerleggen…Kortom ze maakte me erg onzeker en moe.

Kentering

Toen ik ernstig ziek werd in Korea in 1986 en daar in het ziekenhuis lag heeft ze mij verzorgd. Ze was ‘toevallig’ op vakantie bij ons en heeft haar vlucht terug uitgesteld. In die periode is er voor het eerst een echte band tussen ons gegroeid. Ik voelde me een gelijke, voor het eerst in onze relatie. Mijn eigen zelfvertrouwen was blijkbaar zo gegroeid dat ik me niet langer door haar bedreigd voelde. We hebben veel gelachen samen. Echte zussen waren we. Ik heb er hier over geschreven. En hier.

Rouwen kun je niet alleen

Vijf jaar eerder was mijn zwager omgekomen bij een tragisch ongeval waarvan we nooit zullen weten of zijn val in een diepte in Frankrijk een zelfgekozen val was of niet. Ik heb geen afscheid kunnen nemen en ook niet bij zijn begrafenis kunnen zijn omdat we in Korea woonden. Toen heb ik geleerd dat rouwen op je eentje niet kan. Niemand kende hem in mijn naaste omgeving. Alleen mijn echtgenoot, maar ook niet zoals ik hem vanaf mijn jonge kinderjaren kende. Ik herinnerde me geen tijd dat hij er niet was. En nu was hij dood, begraven en weg en ik ben volgens mij niet eens bij zijn graf geweest tijdens het eerste daaropvolgend verlof. Zo niet bestaand leek alles.

Wat is de juiste hulp?

In 1988 keerden we terug naar Nederland waar ik een zieke, diep depressieve zus aantrof. Ik heb zóveel uren tijd besteed aan het luisteren naar mijn zus. Hoe te helpen? Ze draaide al jaren mee (a raison van F300 per maand) in een alternatieve psychologenpraktijk van ene Godefrieda Hoogenraad-Obermann (inmiddels overleden), die predikte dat we in onze kracht moeten leren staan. Godefrieda werd, bedoeld of onbedoeld, haar goeroe. Loes was anti medicijngebruik, zeer gekant tegen het GGZ hulpverlenerscircuit. Het ging om eigen innerlijke kracht aanboren. Hoe wij ook probeerden, de GGZ was taboe. Terwijl wij haar achteruit zagen gaan.

Op het laatst toen ze in een crisisopvang-gezin zat (goede vrienden van ons) is ze zich gaan realiseren denk ik, dat er geen andere mogelijkheid meer was dan professionele hulp te zoeken. Die keuze heeft ze niet willen maken. Na haar (voor nabestaanden zeer traumatiserende) dood vonden we in haar flat het telefoonboek geopend bij de (psychiatrische)Joriskliniek in Delft. Heeft ze nog gebeld?

Zoveel emoties

En dan kom ik weer terug bij Maxima die in het interview zei, dat rouw na zelfdoding van een geliefde gecompliceerde rouw is. Zij en haar familie hadden zóveel gedaan om te helpen. Maar was het de juiste hulp geweest? Had het misschien anders gemoeten? Meer, minder? Je zult het nooit weten. Daarbij is er een enorme mix aan emoties na zo’n gebeurtenis. Pijn. Machteloosheid, boosheid, verdriet. Niet alleen voor jezelf maar voor je vader, je moeder. Het is immers het ergste wat een ouder overkomen kan?

Rouw is altijd ingewikkeld. Dat weet ik inmiddels. Verdriet, gemis om iemand kan op de raarste momenten opeens weer oplaaien. Er is geen fasering en dan langzaam niets meer. Ik weet het van vriendinnen die hun partner verloren. Soms al bij leven door Alzheimer. Het intense gemis kan zomaar oplaaien.

Hevig bewogen

De hevige emotie die Jezus voelde bij het graf van Lazarus. Het staat aangrijpend beschreven in Johannes 11. Ik begrijp dat er in het Grieks staat dat hij ‘hevig bewogen, verbolgen’ was. Dat is wat de dood teweeg brengt. De dood van mens en dier. Ik zag het de afgelopen dagen weer hier bij me thuis. Plotseling lag geliefde kat Ollie dood in de tuin. Hij had een hartafwijking, dat wisten we, maar toch. De tranen gestort om zo’n klein, weerloos dier geven iets weer van de hevige emotie die Jezus voelde bij het graf van Lazarus. Die dood is een vijand. Hij ontregelt het leven en laat je ontredderd achter. Iedere keer weer. Waar is Inés nu, vroeg Matthijs van Nieuwkerken aan Maxima. Ze wist het niet. Jammer, want er is meer troost dan dat ze ‘vast op een plek is waar ze rust heeft’. De belofte van overwinning op die afschuwelijke dood is er. Eens, ooit. Het bewijs? Jezus van Nazareth Zelf. Dat vraagt vertrouwen. Wat zo ontzettend op de proef gesteld kan worden. Maar die twijfels hebben we gemeen met mensen uit het nieuwe testament. Ga dan praten met die en die, zegt Paulus. Of met die 500 mensen die nog in leven zijn en die Hem zelf gezien hebben (1 Korintiers 15:6). Het is geen sprookje, zegt Petrus (2 Petrus 1:16). Jezus was kwaad op de vijand dood en heeft laten zien dat Hij sterker is.

Ik wil dat geloven en me er door laten sterken.

Er is hoop. Ook na de dood.

Wees even stil

Vandaag is stille zaterdag. Met alle drukte in de winkels en keukens, ter voorbereiding op een vrolijk Pasen, is dat moeilijk voor te stellen. Voor veel mensen is er juist stress. Boodschappen doen, menu’s bedenken, alvast bakken en koken. Tijd voor bezinning ontbreekt.

En toch. Sta eens stil bij de dood vandaag. Ja, dat is wel even heel wat anders dan je voorbereiden op een vrolijk lentefeest. Het klinkt wat macaber.

En toch. Stille zaterdag is stil omdat die volgt op Goede Vrijdag. De dag dat Jezus de marteldood stierf aan het kruis en snel in een graf werd gelegd omdat er op sabbath geen doden aan een kruis mochten hangen. Hij is dood, begraven en het wordt doodstil om Hem heen. Er is verdriet. Er is onbegrip. Waarom moest Hij zo sterven? Wat nu? Wat moeten we nu met ons leven? Zijn beste vrienden rouwen en verkeren in choque.

Jezus zwijgt. Hij is dood. Alle hoop op een betere toekomst met Hem als Koning, bevrijdt van de gehate Romeinen, is vervlogen. De diepe ontgoocheling bij zijn volgelingen is tastbaar. Die herken je als mens maar al te goed. De dingen die mislukten. De ziekte waar je totaal niet op gerekend had en je hele leven op zijn kop zet. De relatie die stuk loopt ondanks alle inspanning. De dood van iemand die je zo lief was. Waarom? Waarom nu? Waarom zo?

Met alle vrienden van Jezus is het goed om er weer bij stil te staan dat het leven breekbaar is en veel tegenslag kan brengen. Dat doet pijn.

Maar als je dan op Paasmorgen wakker wordt en de opgestane Jezus in de ogen kijkt beleef je het wonder van de vrolijke verbazing intens. Hij lééft! De dood heeft het niet gewonnen! Onze hoop en onze dromen waren niet tevergeefs. Hij is er bij. Voor altijd en geeft ons als cadeau vergeving, en een leven met Hem door de dood heen.

Vandaag is het doodstil.

Morgen breken we uit in gejuich!

Jezus is opgestaan. Hallelujah.

Ik heb niks met Pasen, in de supermarkt

‘Zo, dat is mijn paasmaaltijd’, zegt de vrouw die achter mij staat bij de kassa van de Jumbo terwijl ze het bekende pak met matses op de band zet. En een slaatje of zo.
‘Ik heb niks met Paosen (Ijsselsteins), ik doe er niet aan’, vertelt ze verder aan de kassière.
‘Oh, ik vind het altijd wel gezellig’, zegt die opgewekt ‘lekker eten, gourmetten en zo’.
‘Ja, dat was vroeger leuk, toen de jongens er nog waren, maar ja, nou heb ik alleen haar’, en ze wijst naar haar dochter die achter haar staat.
Terwijl ze haar boodschapjes inpakt zet ze het gesprek nog wat voort: ‘er zijn nergens meer paoshaozen te koop! Overal uitverkocht, wat is dat nou voor stoms?’

Ik heb me net die morgen weer verdiept in de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen en het knettert in mijn hoofd. Hoe kan ik het mooie en de diepte van wat die gedenkdagen betekenen ooit overbrengen aan mijn supermarktbuurvrouw die ‘niks met paosen’ heeft en de paashaas als ultieme viering kent? Het blijft een enorme uitdaging voor de kerk het paasevangelie zo te brengen dat het landt in de levens van mensen om ons heen.

Onze geloofsgemeenschap bracht een filmpje uit, waarin mensen gevraagd wordt wat Pasen voor hen betekent. eerst aan willekeurige inwoners van ons mooie stadje. Dan vertellen een aantal mensen, jong en ouder, wat het geloof in de opgestane Jezus met hen doet.

Wat het voor mij betekent? Het kruis waar Jezus aan hing kent twee richtingen. De verticale: Jezus opent de weg naar de Vader . En een horizontale: Jezus opent de weg naar de naaste . We mogen elkaar liefhebben met de liefde waarmee Jezus ons liefheeft. Liefde die we krijgen. En de weg naar de toekomst met Hem is open: Kracht voor vandaag, hoop voor morgen! We zijn niet alleen! In alle tegenslag, alle gekwetstheid, alle gebrokenheid, alle verdriet mag ik vertrouwen: bij Hem is er een schuilplaats en een plek waar ik geliefd ben.

matzes uit Enschede

Waarom eten we matzes met Pasen?

Door met Pesach ongezuurde broden, de matzah of matzes, te eten staan gelovige Joden stil bij het feit dat hun voorouders vele eeuwen eerder in allerijl moesten vluchten. Zo snel, dat er geen tijd meer was om het brood te laten rijzen. De Joodse matzes waren van oorsprong vierkant, als verwijzing naar de tegels die de Joden tijdens de ballingschap in Egypte bakten van rivierklei uit de Nijl.

De Chelsea chop – weer een levensles uit de tuin

Wat verlang ik naar de groei van mijn zaailingen. Het hele proces van zaaien, opkomen van het zaad en het verspenen van de jonge prille, fragiele plantjes is spannend en kan frustratie geven. Zaad dat niet opkomt. Zaad dat wel opkomt maar na een paar dagen al op een veel te lang, wiebelend stengeltje staat. Of na een succesvolle ontkieming alsnog aan schimmel of rot bezwijkt. Ieder succes maakt mijn hart licht en blij. Iedere mislukking is drie keer slikken en opnieuw beginnen.

Maar dan. Het zaad is opgekomen. Het is met succes verspeend. Het is afgehard voor planting naar buiten. Met voorzichtige vingers vouw ik de plantjes met hun worteltjes in hun zwarte bedjes. Ik wacht een week, kijk natuurlijk iedere dag, en dan, jawel, ze slaan aan, ik zie de nieuwe blaadjes komen! Ik moet nog weer langer wachten tot de eerste knoppen verschijnen. Wat een gevoel van voldoening! Het is gelukt! Alle barrières zijn genomen, alle obstakels overwonnen. Het wonder gaat geschieden, de eerste bloemen gaan ontluiken!

Maar dan. Dan komt het meest pijnlijke moment. De handeling die het meest in mijn eigen vlees snijdt als het ware. Zal ik het maar overslaan? Gaan ze het overleven?

Dat gruwelijke ‘het’ is de Chelsea Chop!
Ooit van gehoord? Ik leerde erover in het befaamde Britse tuinprogramma Gardeners World van de BBC. Het was een uitzending over de, onder tuiniers, beroemde Chelsea Flower Show, die ieder jaar gehouden wordt in Engeland. Tuinontwerpers strijden om prijzen en stellen de meest prachtige en artistieke tuinontwerpen ten toon aan jury en publiek.

Photography by Gavin Kingcome

Een van de adviezen van de kenners om net zulke mooie, vol bloeiende planten te krijgen als op die flower show (haha…mocht je willen), was de zogenaamde Chelsea Chop. Hop, de snoeischaar in de groeiende stelen. Laat je ze gaan dan hou je armetierige, miezerige bloemstengels die maar met één bloem bloeien. Met een rigoureuze knipbeurt (wég, met alle net verschenen knoppen) van een derde van de plant kun je er zeker van zijn dat er een breed groeiende, bossige plant ontstaat. Het voelt als iets van mezelf afhakken. Eindelijk het punt bereikt waar ik zoveel moeite voor heb gedaan en dan, knip, weg…(voel je de levensles al aankomen?). Juiat datgene wegsnijden wat zo veelbelovend lijkt. Dat wat nou net lijkt te bevestigen dat al je moeite ertoe heeft gedaan. Er staat hier toch maar een bijna volwassen plant die uit een miniem zaadje is opgekweekt met al jouw aandacht en liefde en zorg. En het dan nu zomaar bijna halveren? Poeh!

Ik kon het niet helpen maar dacht toch verder na over de Chelsea Chop die we soms ook in ons leven moeten toepassen. Je kunt je (levens)tuin vol laten groeien met lange, dunne bloemstengels die bij de eerste storm plat liggen. Of met de schaar erin, terug snoeien en geduldig met vertrouwen wachten op de nieuwe, vollere bloei.

Je mag je eigen toepassing maken!

Dierenliefde in de familie

Angst voor poezen – nurture

Alle kinderen gaan volgens mij door een fase heen dat ze een hond, poes of ander huisdier willen. Ik was een jaar of zeven, acht, denk ik, toen ik een hond wilde. Er was geen denken aan, dat wist ik ook al voordat ik zelfs mijn verlangen uitte. Mijn moeder kwam uit een gezin waar huisdieren niet alleen niet geliefd werden maar, zoals zij er tenminste over sprak, met een panische vrees gevreesd werden. Ze kon het woord poes of hond niet eens uitspreken zonder er al een diep, angstige afkeer voor in haar stem te laten meeklinken.

Onze Tommy met gebruiksaanwijzing

Naar eigen zeggen had ze door haar moeder die angst gekregen. Die vertelde het smakelijk gruwelijke verhaal dat de familie rondgaat als ware het een oorlogstrauma, veelal aangedikt door eigen afkeer van beesten. Oma van Katwijk had vis gehaald en zou op straat zijn achterna gezeten door een kat. Heel snel was ze naar binnen gerend en had de deur met een klap dicht gegooid. Echter, de halsband van de kat, waaraan een riempje zat, was tussen de deur blijven haken, waarop de kat zichzelf verhing. In opdracht van ik weet niet wie, moest de kleine Sjaan met de dode kat naar boven (waarheen?) lopen, het arme beest voortslepend aan de riem. Ze kon zich haar hele leven het ‘bonk, bonkebonk’ van die dode kat op de traptrede herinneren als een nachtmerrie. Die ze doorgaf aan haar kinderen. Mijn moeder dus.

Ik heb het verhaal nooit helemaal gesnapt en het zal in mijn geheugen ook wel een eigen leven zijn gaan leiden. Hoezo naar boven met een dode kat? Waarom liep die kat met een touw om zijn nek? Zus Thea weet alleen dat oma in paniek ergens in een portiek schuilde, met het elastiekje van haar hoed ergens achter bleef haken maar haar hoed gewoon achter liet.

Anyway. De angst voor beesten zat diep en er kwam bij ons geen lopslopend dier het huis in. Een hamster en een kanariepiet is het enige wat ik me herinner. De hamster was tijdens de vakantie dood gegaan en de kanariepiet ging altijd keihard zingen als we gingen bijbel lezen en bidden en kreeg dan een doek over zijn kooi. We liepen niet over van dierenliefde, ben ik bang. Hoewel mijn vader wel een liefde voor katten had vanuit zijn eigen jeugd. Zijn moeder en zussen hadden altijd katten en ik weet dat mijn vrijgezelle tante op oudere leeftijd ook poezen buiten ging voeren. Dat werd natuurlijk als excentriek beschouwd.

Liefde voor dieren – nurture

Mijn wens naar een eigen hondje werd uiteraard niet vervuld. Ik mocht als compromis het hondje van mijn vaders baas uitlaten die een par straten verop woonde. Een kleine teckel. Ik kan het me nauwelijks herinneren dus het zal wel een bevlieging geweest zijn.

Ik trouwde echter met een man die was opgegroeid met katten en honden in huis. Wij begonnen ons huwelijk dus met de voor hem vanzelfsprekende aanschaf van twee kittens uit het asiel. Ik meende dat ik dat ook leuk zou vinden. Dat was echter een foute inschatting. De kittens waren speels en vonden het bijvoorbeeld heel leuk om zich te verstoppen onder de bank en als ik daar dan ging zitten opeens tevoorschijn te schieten en mijn voeten te omklemmen. Ik vond dat helemaal niet zo leuk als zij…ik mag wel zeggen dat ik me te pletter schrok van die onverhoedse bewegingen. Echtgenoot vond alles schattig, maar die was weg, terwijl ik de hele dag(ja, dit is nog in de tijd dat dit normaal was..) dus met de onberekenbare beestjes opgescheept zat. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bedongen heb dat ze terug gingen naar het asiel: – mijn vrouw is bang voor katjes- , moest echtgenoot met het schaamrood op de kaken bekennen.

Ik denk dat we in Korea, toen we daar woonden, weer begonnen zijn met poezen. Echtgenoot was er diep van overtuigd dat kinderen horen op te groeien met beesten die ze kunnen aaien en koesteren en waarvoor ze kunnen zorgen. Goed voor hun emotionele ontwikkeling. We hebben daar een hele serie poezen en katten gehad (en zelfs even een hondje) die echter allemaal aan rattengif stierven. Om ratten te bestrijden was er om de zoveel weken een ‘Dood De Rat-campagne’, waarop de bevolking enthousiast lekkere dingen buiten neerzette met, jawel, dodelijk gif erin.

Terug in Nederland zetten we de traditie voort, jonge katjes opnemen die deel van het gezin werden. Mijn angst had ik overwonnen, maar de diepe liefde die de rest van het gezin ontwikkelde ontbrak/-breekt bij mij. Waarschijnlijk moet je met dieren zijn opgegroeid om die te hebben. Tijdens hun puberjaren zag ik hoeveel warmte en affectie ze kregen en kwijt konden aan de poezen. Emoties die dan moeilijk te delen zijn met je vader en moeder. Dat is echt een enorm bonuspunt voor dieren in huis.

Het is niet alleen maar rozegeur

Ik ben ook helemaal voor, maar heb dan weer moeite met de zorg die het met zich meebrengt. Twee honden. De een kreeg al heel jong botkanker. De tweede ging bezoek bijten. En poezen. Die kunnen zo stinken…Het is misschien niet sociaal maar ik was en ben altijd blij wanneer ze naar buiten kunnen…Hoewel mijn geweten ergens blijft knagen voor wat ik de buurt aandoe. Poezen zijn verder ook zo eigenwijs. Als ze iets niet willen, zoals een pilletje kun je op je kop gaan staan, ze eten het niet. Het stukje worst waarin je het denkt te verstoppen peuzelen ze op, maar het pilletje blijft keurig achter. Op YouTube zie je dan allemaal filmpjes voorbij komen van poezen die zich gewillig een medicijn laten toedienen, terwijl wij achter een krassende, panische, blazende kat aan door het huis rennen. En dan die vreselijke kappen die ze na een behandeling om hun nek krijgen….Het allerergste was de keer dat onze huidige kat een voedingssonde in de neus aangebracht kreeg en wij geacht werden hem met een spuitje vloeibaar voedsel toe te dienen.
-Dank je de koekkoek…dat gaat ‘m niet worden, dacht onze zieke Tommy en zette zijn nagels in een van de drie (!) mensen die hem vasthielden…

Alles went..

Kat met kap, niet onze kat….

Alles went

Zo hebben we er nu een extra kat bij die in de buurt gevonden is en door niemand geclaimd. Opeens hoor ik mijn vader weer die, ondanks zijn liefde voor katten, met een vies gezicht altijd zei, neem nooit een kater, want die gaan sproeien…In 40 jaar geen last van gehad en nu hebben we toch een sproeistinker in huis! Twee katers in één huis die elkaar niet kennen, tja, dan moet je heel veel dierenliefde voelen om dat te verdragen. Dat hebben mijn huisgenoten en dus hobbel ik maar mee. Alle gordijnen hebben nu een wasbeurt gehad, da’s dan wel weer een positief puntje.

Ik vergeet nog te vertellen dat haar angst voor dieren mijn moeder zich er niet van liet weerhouden bij ons te logeren. Haar afstandelijke gedrag tegenover de poezen maakte natuurlijk dat ze juist graag bij haar gingen zitten. Ik hoorde dan opeens een benauwde kreet: ‘Margreet! Hij springt zo op schoot!’ Ik heb een foto van haar dat er twee katten naast haar zitten, een hond aan haar voeten en zij mij wat schaapachtig aankijkt. Het valt eigenlijk beste mee, lijkt ze te zeggen

In ons gezin is de dierenliefde vermenigvuldigt. De een werkt vrijwillig in een kattenpension, de ander strijdt in de dierenpartij voor een beter leven van dier en natuur. De derde ontfermt zich over katten die op straat zwerven. De vierde ziet het aan en haalt herinneringen op aan vroeger, languit op de bank met een poes op zijn buik, ultieme ontspanning.

Het is voor mij nog steeds een beetje afzien bij tijden, maar de vrucht is het meer dan waard.

Frederiksoord

Onlangs waren we in Drenthe. We bezochten Westerbork. Na onze hotelovernachting in Exloo, met heuse Corona roomservice in de avond (eten onder van die metalen bolle deksels en op een serveerwagentje op wielen); ontbijt ophalen en op je kamer opeten, vertrokken we richting Frederiksoord. Naar het koloniedorp daar, gesticht in de 19e eeuw. Pas daar werd het me duidelijk dat er wel vijf van dit soort kolonies geweest zijn, allemaal gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan de stichter Johannes van den Bosch was, een zeer ondernemende en visionaire militair-ingenieur, een vooraanstaand man. Ik meende een groot gevangenisachtig instituut aan te treffen, zoals waarover ik gelezen had in Het Pauperparadijs, maar dat bleek Veenhuizen te zijn.

DE AUTEUR BECHRIJFT HET LEVEN VAN HAAR VOOROUDERS IN DE STRAFKOLONIE VEENHUIZEN

Na 25 jaar revolutie en oorlog was er een grote groep berooiden en armen in Nederland in 1814. Veel mensen konden nauwelijks of niet rondkomen en leefden in krotten of op straat. Bedelarij was strafbaar en mensen die vanwege honger bedelden opgepakt en in het gevang gezet. Hun uitzicht op een beter leven was hopeloos. Johannes was een bewogen idealist, die ervanuit ging dat een betere omgeving en eerlijk werk in de buitenlucht mensen een betere kans op een toekomst zou geven. Het klonk heel mooi. De eerste uitvoering van zijn idee was de vrije proefkolonie Frederiksoord. Vernoemd naar prins Frederik, de oudste zoon van koning Willem I, een enthousiast voorstander van de idealen van Johannes. Er werden (voor die tijd) comfortabele huisjes neergezet, met een lapje grond erbij om voor eigen gebruik groenten te verbouwen. Verder werd er van de mannen verwacht dat ze hielpen bij de ontginning van de grond rondom de kolonie. De vrouwen werkten in de textiel, spinnen en weven van kleding bestemd voor de kolonisten. Dit onder leiding van werkers die er verstand van hadden. Bijzonder was ook dat kinderen vanaf zes jaar verplicht onderwijs kregen. Pas in 1900 zou er een landelijke leerplicht komen, dus men was hun tijd ver vooruit. Dat was Frederiksoord. De eerste bewoners arriveerden, vrijwillig, in 1818.

het voormalige huis van een van de bestuurders van de kolonie

Toch bleek het project niet succesvol. mensen overplanten vanuit de stad naar het uitgestorven platteland, van eigen zaakjes regelen en geld bij elkaar sprokkelen naar discipline en strakke regels bleek moeilijker dan men dacht. Niet alleen moesten de kinderen verplicht naar school, maar ook kerkbezoek was een vereiste en het meebetalen aan een ziekenfonds. Alles voor een goed doel. Met de huidige protesten tegen Coronamaatregelen in gedachten kan ik me voorstellen dat niet iedereen van die plicht gediend was, zeker niet de mensen uit grote steden als Amsterdam of zo. Johannes van den Bosch was een typisch Verlichtingsdenker: mensen hebben een gezond verstand en doen gewoon wat voor hun bestwil is. Maar de realiteit is weerbarstig.

De kolonie was ordelijk, met lange rechte lanen. ook dat was onderdeel van de visie. Reinheid, redelijkheid en orde!

Echtgenoot en ik hebben rondgelopen in Frederiksoord en onze indruk was die van de typische toerist. Mooi landschap, mooie huisjes, vriendelijke omgeving. Zo zal het de oorspronkelijke bewoners niet zijn vergaan. Drenthe was woest en ledig. Dat was de win-win situatie voor Nederland en de koning. Woeste grond ontginnen voor landbouw. een van de redenen waarom koning Willem I het initiatief steunde. Zijn zoon prins Frederik werd voorzitter van de Maatschappij van Weldadigheid. Men won zoveel mogelijk leden in het land die allemaal een contributie leverden om het project mogelijk te maken. Gezelschappen of kerken in de verschillende steden selecteerden de mogelijke kolonisten. Wie uiteindelijk niet geschikt bleek voor de vrijwillige kolonie werd gestraft en naar een strafkolonie gestuurd. Tot zover dus de ‘vrijwilligheid’.

Wie zich niet wil conformeren aan de regels en de handhaving daarvan, wordt ‘opgezonden’ naar de onvrije Koloniën in Veenhuizen (voor vondelingen en weeskinderen), Ommerschans (voor landlopers en bedelaars) en Merksplas (België).

Arm gezin in Frederiksoord- afbeelding van de site van http://www.welkomtoenwelkomnu.nl

Gisteravond zag ik de uitzending van Verborgen Verleden waar onder andere Herman Finkers in voorkwam. Veel van zijn voorouders waren arm en leefden in de kolonies. Ommerschans was een van de strafkolonies. Nog opgericht (1819)voor die van Veenhuizen (1822). Wie zich niet aanpaste in de vrije kolonie kwam hier terecht. Of wie gearresteerd was voor landloperij. van Lennep met zijn vriend Dirk van Hogendorp wandelen in 1823 samen door het Drentse landschap, eerst als toerist net als wij, maar treffen in de kolonie een situatie aan van honger en ziekte. Men kreeg te weinig eten en de kolonie werd ook een afvalput van de samenleving. Finkers toont de plek waar men begraven werd… in jute zakken in een soort massagraf. geen grafsteen. Triest. Zeker als je bedenkt dat de intenties van Van den Bosch goed waren. Dit was zeker niet zijn bedoeling geweest. Er was blijkbaar te weinig toezicht en ook overheden en bestuurders zagen kans in de kolonies hun lastige inwoners te dumpen.

Eerst liepen wij tien minuten door heerlijke rogge en genaakten zoo het gesticht, dat een vrij aangenaam voorkomen heeft, zijnde met boomen hier en daar overschaduwd en op een oude Schans nog met grachten omringd, opgebouwd

Het is moeilijk zo’n hele geschiedenis te voelen wanneer je rondloopt op een zonnige dag in een vredig landschap. Frederiksoord was dan ook een van de meer geslaagde kolonies. En door het onderwijs zijn ook veel mensen geholpen en hebben zich aan armoede kunnen ontworstelen. Veel van hun nazaten zijn bekende Nederlanders, die vaak helemaal geen weet hadden/hebben van hun afkomst. Er is een databank, Alle Kolonisten, waarin iedereen familienamen kan opzoeken om te zien of er wellicht een voormoeder of-vader heeft gewoond in een van de kolonies. Ook het Drents Archief heeft veel informatie! Het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bevindt zich daar, vierhonderd strekkende meter!

Ik heb een proefsearch gedaan bij de naam Sonneveld, geen treffer. Bij de naam van mijn moeder, van Katwijk, had ik wel treffers. Niet de Schiedamse tak, maar een familie in Brabant die wellicht afstamt van een van mijn verre voorouders uit Schiedam. Een nieuwe speurtocht lokt!

Hoe het verder ging met de kolonies is te lezen op de verschillende sites die ontzettend veel informatie hebben. Alleen de onvrije kolonies (Veenhuizen en Ommerschans werden voortgezet als inrichtingen van de Staat. Tegenwoordig is alleen Veenhuizen nog een zg. rijkswerkinstelling en gevangenis.

De kolonies, de musea het is allemaal fascinerende geschiedenis en een bezoek zeker waard. Ik ga terug als de musea weer open zijn en een bezoek aan de andere kolonies staat op mijn lijstje!

De biografie over Johannes van den Bosch, De Kolonieman, door Angelie Sens is ook heel interessant om te lezen. Ik heb hem uit en hij staat in mijn boekwinkeltje BatteauBoeken te koop.

Schuldig Landschap

Een kennis, kunstenares Eke Malda, tipte me over het werk van Armando naar aanleiding van mijn blog over Westerbork. In de 2e Wereldoorlog groeide hij op  in Amersfoort, dichtbij kamp Amersfoort, . Net als Westerbork een transitkamp, voor Joden en politieke gevangenen, maar uiteindelijk werd het een strafkamp. Vele soorten gevangenen verbleven er, herkenbaar aan de kleur van een merkteken op hun jas. Zelfs beroepscriminelen werden er opgesloten. Met een groene driehoek op hun jas.

Armando zou de vreselijke beelden van uitgemergelde gevangenen, smekend om een stuk brood en de dreiging van bewakers op hoge wachttorens met lange ladders nooit vergeten en verwerkte het thema in zijn kunst. Hij ontwikkelde hiervoor het begrip Schuldig Landschap. Ik noem in mijn blog over kamp Westerbork de liefelijke omgeving die zo’n contrast vormt met de gruwelen die er plaatsvonden. Die spanning, die verwarrende, of liever verbijsterende tegenstelling (hoe kán dit) vat Armando samen in dat begrip.

„Het is een landschap dat heeft zien gebeuren, want in landschappen, in de schone natuur, vinden vaak de afgrijselijkste opvoeringen plaats. Veldslagen. Sluipmoorden. Man tegen man. Aanleg en onderhoud van kampementen. Barakken. Plekken ter kwelling van weerloze schepsels. Voornoemd landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien, het is een schande, ik raak er nooit over uitgesproken. De confrontatie natuur-cultuur is een onbarmhartig gebeuren, dat gaat met pijn gepaard, geloof dat maar. Ja ja, ik weet wel, het is zinloos om de natuur schuldig te noemen, maar kunst is ook zinloos, daarom is kunst zo onontbeerlijk. En gewetenloos.” (Uit: ”Schoonheid is niet pluis, verzameld proza”, Amsterdam 2003

Hij raakt daarmee een snaar in me. Voor  mensen zoals ik maakt juist die mooie, maar onaangedane natuur het zo onmogelijk je iets voor te stellen van de gebeurtenissen die er zich afspeelden. De natuur heeft de neiging in zich om je gerust te stellen. Of je laat je gerust stellen. ‘Ze hadden in ieder geval een mooi uitzicht’ of dat soort trivialiteiten.

Toch blijf ik ook geloven in de hóóp die de natuur in zich draagt. Wat de mens ook uitricht, de schepping blijft troost bieden. Een bloem op een onverwachte plek, een zaadje dat ontluikt in een troosteloos landschap, een zonsondergang. De natuur blijft voor mij ook een venster naar schoonheid die uitstijgt boven al het gewoel en de ellende op aarde. Een venster naar de eeuwigheid en de herschepping van alle dingen die God belooft in de bijbel. 

Hier nog wat meer informatie over de kunstenaar

https://kunstvensters.com/2018/07/02/in-memoriam-het-schuldig-landschap-van-armando/

Foto is van Stephan van Fleteren

Westerbork, Frederiksoord en lessen over vrijheid

Het vergaat mij met schrijven als met bewegen. Hoe minder ik het doe, hoe minder zin ik heb. Het bevestigt dat ik van nature enigszins tot luiheid aangelegd ben. Geef me een goed boek, een goeie film en een lekkere zit- of ligplek en ik ben tevreden, met af en toe een kop koffie of thee. Ik zal nooit tot grootse prestaties komen daardoor. Ik heb lang mijzelf daar lichtelijk schuldig over gevoeld: ik zou toch meer moeten van dit of van wat anders. Sinds ik tot de senioren ben gaan horen heb ik een zekere rust gevonden. Ik heb mijn deel bijgedragen en het is wel goed zo. En dat is meestal wanneer de schrijfzin weer begint te borrelen. Ik hoef niet, ik mag.  

2021 is een jaar zoals ik er niet eerder heb meegemaakt. Het leerde me één ding, namelijk hoe vanzelfsprekend ik alles vond en deed. Naar de film, wandelen, en een kop koffie ergens drinken. Fietsen en een tosti eten. Uit eten met een bijzondere gelegenheid. Niet dat ik niet dankbaar was voor veel leuke dingen, maar ze hoorden er zo bij dat het onvoorstelbaar was dat we op een dag alleen nog naar de super konden voor een ‘uitje’.. 

Dinsdag vertrokken we voor het eerst sinds maanden voor een ‘groots’ uitje, naar Drenthe, een nacht in een hotel en bezoeken aan twee plekken die al jaren op mijn lijstje stonden. In het voorjaar ter ere voor mijn 65e verjaardag gepland met het hele gezin, maar noodgedwongen geannuleerd. Westerbork, het voormalig concentratiekamp van waaruit vele duizenden Joodse landgenoten naar de vernietigingskampen in Duitsland en Polen werden gebracht en Frederiksoord, een van de Koloniën der Weldadigheid uit het begin van de 19e eeuw.

De bezoeken waren vanwege de situatie uiteraard beperkt. De musea zijn dicht. maar de terreinen zijn toegankelijk en in feite was het me daar ook om te doen in de eerste plaats, de beleving. Een museumbezoek helpt daar natuurlijk ook aan bij, door films en achtergrondinformatie, maar op dit soort historische plekken vind ik rondlopen en een poging wagen me voor te stellen ‘hoe het was’ indrukwekkender. Hoewel dat onmogelijk is.

Bij Westerbork parkeerden en liepen de 30 minuten naar het terrein van het kamp. Het was koud, maar helder. De lucht was blauw met hier en daar een wolk. Soms scheen de zon even fel over het mooie winterlandschap. De grond is er zompig en nat, grote plassen hadden zich de laatste weken gevormd en het zonlicht spiegelde erin. Felgroen gekleurde mossen, hele velden met hoge, gouden grassen, bruggetjes over kabbelende beekjes. Het was een prachtig vakantielandschap. Hoe kwamen de Joodse gevangenen hier aan vroegen we ons af? Liepen ze door dezelfde bossen? Misschien met het idee dat alles nog wel mee zou vallen? In zo’n omgeving?

Het contrast tussen de liefelijke omgeving en de gruwelijk gebeurtenissen die zich er hebben afgespeeld is moeilijk te vatten. De wanhoop van mensen die vanuit hun eigen huis en haard gedumpt worden in een schuurachtig verblijf waar ze met tientallen in één ruimte opgepakt zitten. Het verdriet van een moeder die geen afscheid heeft kunnen nemen van haar kinderen.

Fragmenten uit brieven van kampbewoners zijn uitvergroot te zien achter plexiglas op grote panelen op het terrein.
.

We gaan morgen verder

We gaan morgen op reis

Ik houd me flink

We hopen op een goede afloop en elkaar na de oorlog weer te zien

Er spreekt zoveel moed uit die briefjes. Vooral als je oog in oog staat met de wagons waarin die reis dan werd gevoerd. Hoe vaak heb ik die niet gezien op foto’s en op TV? Maar nu ik er zelf voor sta, de manshoge wielen. De stalen schuifconstructie waarmee de wagon hermetisch werd afgesloten

Het meest ben ik onder de indruk van de woning van kampcommandant Gemmeler. Een leuk, groenhouten landhuis met een veranda en serre. Ik zou er zo willen wonen. Het kijkt uit over het uitgestrekte kampterrein, waar vroeger de barakken stonden en het kampleven zich afspeelde.
Het huis is nu zelf gevangen onder glas. Opdat het blijft bestaan, als aanklacht. Zo gewoon was het kwaad.
Op een zomerdag zag men vanuit het huis, tijdens de koffie in de serre, de wagons vertrekken met kinderen, zieken en oude mensen. Ze deden de ramen maar even dicht om het geschreeuw niet te horen (wat een lawaai zeg!). Bij het tweede kopje was de rust weer teruggekeerd.
Zo stel ik me het voor.

Voormalig woonhuis kampcommandant

Dertigduizend Joden en tweehonderdvijfenveertig Sinti en Roma zijn vanuit Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Van de Sinti en Roma hebben dertig het overleefd. De beruchte foto van het meisje met de hoofddoek die door een kier van de deur naar buiten kijkt is een Sinti meisje, Settela Steinbach, en ze vertrekt hier met haar moeder en broers en zussen vanuit Westerbork. Ze is in Auschwitz-Birkenau vergast in juli 1944

Zaa-lig!

Begraafplaats de Beukenhof

Op 19 oktober zou mijn moeder 103 geworden zijn. Voor haar ben ik blij dat dat niet gebeurd is. Haar laatste levensjaren (ze werd 90) waren moeizaam door toenemende dementie, dus haar sterven was een verlossing. Voor ons en voor haar. Ik heb veel over haar geschreven in die jaren, terug te vinden onder de categorie ‘moeder’.

Een of twee keer per jaar gaan we naar haar graf. Meestal rond haar verjaardag, omdat die zo in mijn systeem zit. Haar sterfdag niet. Daar moet ik altijd even diep over nadenken. Februari ja, maar de datum…, nee.
Op de grafsteen staan ook de namen van mijn vader en van mijn zus Loes. Mijn vader stierf relatief jong (72) in 1986, 34 jaar geleden. Mijn oudste zus Loes, in 1992. Zij was echt jong nog. 45 jaar. Ook over haar heb ik veel geschreven.

Het was in onze familie niet gebruikelijk een graf te kopen. Het was duur, dat ten eerste, maar de noodzaak ervan werd ook niet gezien. En dat had meer te maken met het (volgens hen) op de bijbel gebaseerde idee dat de dode lichamen vergaan, de geest geborgen is bij God en een bezoek aan het graf, dus, zinloos is.

Het besef van een plek nodig hebben om te bezoeken om daar stil te staan bij het leven van de gestorvene, en wat die voor je betekende, kende mijn ouders niet. Voor rouwen was in principe geen vorm. Ik kan mij nauwelijks rituelen herinneren. Op oudejaarsavond werden in de kerkdienst wellicht de namen gelezen van wie in het afgelopen jaar gestorven waren, maar meer dan dat was er niet, voor zover ik weet. Tijdens samenkomsten bij een begrafenis kon het zelfs gebeuren dat de naam van de overledene niet genoemd werd, zo bang was men voor wat ‘persoonsverheerlijking’ genoemd werd. Dat is tegenwoordig wel anders. Soms met een tegenreactie. Geliefden worden dan zo opgehemeld alsof ze volkomen gevrijwaard waren van onhebbelijke eigenschappen. Maar goed. Balans is vaak moeilijk.

Veel van wat nu geaccepteerd is, zoals een kaars branden of een gedachtenistafel, was toen nog ‘rooms’ en ‘rooms’ was per definitie slecht. Bloemen leggen bij een graf was nog erger dan rooms. Dat was heidens in mijn vaders ogen. Dat riekte naar voorouderverering. Van mijn opa vertelde mijn moeder dat hij zelfs geen naam op zijn grafsteen wilde. Alleen maar deze woorden: ‘Wachtend op de jongste dag’

Toen mijn moeder overleed en we met elkaar als familie vonden dat het toch wel verdrietig was dat er van mijn vader en zus nergens meer een gedenkteken was, hebben we een graf gekocht. Mijn moeder is er begraven en op de gedenksteen staan de namen van mijn beide ouders en die van Loes. Dat is goed.

We liepen nog wat rond op de begraafplaats de Beukenhof in Schiedam. De zon scheen, het was zo’n gouden herfstdag. Ik bedacht hoeveel familieleden er begraven liggen. Vele ooms en tantes, ik denk ook grootouders en hoe vreemd het is dat er zo weinig terug te vinden is dat aan hen herinnert. Wat me ook opviel was dat de nieuwere grafstenen zo groot, opzichtig en glimmend zijn. Veel marmer en extra’s. Ook daarin zie je een tijd veranderen. De oude stenen vaak eenvoudig, van grijs graniet of zo, met zwarte letters, verweerd en niet altijd meer leesbaar. Zoals dat eigenlijk ook hoort bij de dood, vind ik zelf. De nieuwere stenen zijn hard en onverwoestbaar, met foto’s en allerlei attributen. Ergens ook een ontkenning van de vergankelijkheid van het leven en van de dood zelf, onbedoeld.

Schiedam

We trokken nog een paar uur mijn geboortestad Schiedam weer in. De voetstappen van mijn hele voorgeslacht liggen er en ik raak steeds meer gefascineerd door hun geschiedenis. Het oude centrum van Schiedam is mooi, mooier nog zijn de grachten met hun oude panden waar de rijke regenten woonden, zoals de ‘destillateurs’, de directeuren/eigenaren van de jeneverbranderijen waar Schiedam bekend/berucht om is. Veel mijn voorvaderen hebben er hun kost verdiend, met bloed, zweet en tranen. Op veel trouwaktes worden de beroepen vermeld van getuigen en zoveel werkten er als brandersknecht. of zakkendrager. Ik probeer me zo’n arbeidersleven voor te stellen. Als brandersknecht werkte je meer dan 14 uur per dag in de hitte en in de jeneverwalm. Je vertrok voor dag en dauw naar je werk, werd waarschijnlijk half dronken van de walm alleen, kreeg soms ook als deel van je loon bij je middageten een kruikje te drinken. ’s Avonds was het acht uur voor je naar huis kon. Hoe kwam je thuis? Hoe woonde je? In een krot? In een door de gemeente gebouwd hofje waar het iets beter was dan in een krot? Waar je wel met meerdere huishoudens een WC deelde. Schiedam was een arme stad.

Ook de Julianakerk waar zij beiden gedoopt werden en kerkten staat er nog. (Correctie: Ik hoorde van familie dat deze kerk helaas is afgebroken) De NGK aan de Westvest 30 waar mijn broers en zussen gedoopt werden. (Opnieuw een correctie: pas in 1954 kerkte men voor het eerst in dit gebouw. Daarvoor in het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond, Westvest 92. Ik ben dus als enige in het nieuwe kerkgebouw gedoopt. Wel zijn wij alle vijf door ds. C. Vonk gedoopt, hoewel er ook nog een tweede predikant was, van Oene, van 1948 – 1952. Dus wie weet). Wederzijdse woonhuizen van vroeger en later zijn nog te vinden.

Stefan Hertmans zegt het mooi: “Geschiedenis ligt op straat, ze is een schichtig ding, als een lichtvlek met een menselijke contour omgeven door duistere, verloren levens.” (De bekeerlinge, Bezige Bij 2016)

appeltaart to go ter ere van de verjaardag bij Zaa-lig in Schiedam
Bij het trouwen van een zus van mijn vader, 1939

Ter ere van mijn moeders verjaardag halen we koffie en appeltaart bij een restaurantje aan de markt. Met de toepasselijke naam Zaalig! Een kwalificatie die mijn vader graag gebruikte om eten en drinken te omschrijven. Echt Schiedams. En de appeltaart verdient de onderscheiding! Die was werkelijk zaalig!

Herfst en de duizend sneetjes van Corona

Herfst
Ik zag ze lopen onlangs in de bossen bij Katwijk. De gezinnetjes met kinderen, leeftijd peuter en basisschool. Met plastic tasjes, rugzakjes, of andersoortig opbergmateriaal. Vaders en moeders in diverse stemmingen, vrolijk roepend of gefrustreerd omdat peuter weg blijft rennen, de achtjarige die geen zin heeft in wandelen maar wel in een boom wil klimmen, om er niet meer uit te komen. De driejarige die bij ieder sprietje stilstaat en het gezelschap ophoudt. De opa’s en oma’s, met volle teugen genietend, zoveel geduldiger dan ooit met eigen koters. 

In de zakken en tassen verdwijnen de glimmende bolle kastanjes, de groenbruine beukennootjes, de eikeltjes met hun parmantige mutsjes, en alles wat de natuur op dit moment aan herfstoogst voortbrengt. De bladeren vertonen hier en daar wat verkleuring maar nog niet echt intens. Wel is er een overvloed aan bessen. Fel oranje duindoorn- en donkerrode meidoorn bessen. Rozenbottels, kardinaalshoed en vlierbessen. Vogels en andere duinbewoners kunnen hun buik vol eten van het overladen herfstmenu.

Heilzame natuur
We herinneren elkaar glimlachend en een tikje melancholisch aan de tijd dat we zelf met onze kinderen herfstspullen gingen verzamelen voor een schaal op tafel. In de bossen bij Bennekom. De basisschoolleeftijd was het leukst. Die waren enthousiast en kwamen met kilo’s kastanjes en vrachten oranje gekleurde bladeren aan. De pubers vertoonden een zeer nadrukkelijke afkeur voor dit soort escapades. Eenmaal in het bos werd het toch altijd leuk. Er is iets met natuur en buiten zijn dat een mens zo’n goed doet. Voor mij is de drempel hoog. Maar eenmaal buiten leef ik op. Zeker nu ik me al een periode wat vleugellam geslagen voel. 

Ik zag op tv het beeld van een verwondde eend. Zijn vleugel was gebroken door een scherp voorwerp. Hij wilde heel graag wegvliegen maar de gebroken vleugel deed niet meer dan wat doelloos klapperen. Het vliegen lukte niet. Het lijfje spande zich tot het uiterste in, maar verder dan een sprongetje kwam het niet. Zo verging het mij de laatste tijd.

Ik zocht op internet wat vleugellam eigenlijk betekent en kwam als eerste bij de verwijzing naar psalm 42 uit.  ‘Hart onrustig vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel’. Die omschrijving is heel raak. En geeft goed de gemoedstoestand weer waarin een ziel, mijn ziel in elk geval verkeren kan. Wel willen maar niet kunnen. Terneergeslagen. Droevig. En ziel en lichaam vormen een geheel dus het heeft zijn weerslag evengoed op mijn lichaam. Vermoeidheid, malaise, alsof ik een zware griep heb gehad.

Rouw en de tweestrijd
Rouw om een goede vriend die in korte tijd een pijnlijke dood stierf als gevolg van een zeer zeldzame huidziekte, te laat ontdekt door de drukte rondom corona,  de erbarmelijke situatie van vluchtelingen. En daaronder de laag van pijn om de zelfmoord van mijn zus lang geleden, die weer kwam boven drijven. Immer onverwacht. Nooit direct. Maar de pijn vormt een ondergrond. Soms keurig als een diepe aardlaag, op een plekje waar ik niet vaak spit. En dan opeens (zo lijkt het) komt het weer aan de oppervlakte. Als een deur van een donkere kamer, die je liever dicht houdt, die openspringt door een tochtvlaag. Die kamer is donker omdat het de plaats is van verlatenheid, waar niemand is om te helpen. Waar geen mens meer komt, zelfs God niet, zo lijkt het, want daar beneemt een zus zich uit wanhoop het leven. Het is daar zo duister dat ik er altijd bang voor gebleven ben. 

Sommige periodes in mijn leven vecht ik met een donkere vijand die  lonkt en zegt dat ik het ook niet redden ga. Die mij mijn geloofsvreugde wil benemen. Die meent dat ik maar een rol speel, die meent mij ‘echt’ te kennen. 
In psalm 42 spreekt iemand die de ik beschuldigt, de scepticus, die de ik wil laten twijfelen aan Gods welwillendheid. Aan zijn nabijheid. De ik klampt zich vast aan Gods beloftes en herinnert zichzelf aan eigen helende ervaringen uit het verleden. Een tweestrijd. Een debat. Dat debat herken ik. Het gevecht met die scepticus. Die steeds maar ‘het zal wel’ en ‘denk je nou echt?’ fluisteraar. Heel uitputtend.

Wat mis ik de kerk en het zingen
Er is de droefheid omdat het op deze aarde zo ontstellend mis kan gaan. In het leven van geliefden, van de mensheid in het algemeen en in dat van samenlevingen. En er is door corona het pijnlijke gemis van kerk en samenkomsten. Waar ik me kan laven aan beloftes en steun die ik niet uit eigen kracht hoef op te pompen. Een kerkdienst is als een rivier die stroomt, waar ik mag rusten als ik moe ben en waar het heil me wordt aangereikt als een verkwikkende drank (ja, psalm 23). Mijn broers en zussen, meestal zonder dat ze het beseffen, zijn vaak tot troost. Zo werkt de Geest. Het is Gods vrede, Zijn shalom. En zingend kan een mens soms uitstijgen boven getob en gepieker. Oh, wat mis ik dat zingen!

Wat doet corona met je, vroeg iemand een goede vriendin. Het was in Amerika. It is ‘wounding’, antwoordde ze. Het bezeert me. En dat is het. Corona is als een scherp voorwerp dat je telkens weer op een andere plek een beetje pijn doet. Kleine sneetjes kunnen gemeen zeer doen. En veel kleine sneetjes is heuse pijn. Elkaar niet zien, niet kunnen omarmen, vooral bij groot verdriet. Of vreugde.
Het is een kale tijd en een onzekere tijd. Ik mis ook het reizen naar verre oorden en familie en goede vrienden daar. Een luxeprobleem in zekere zin maar wel een gemis om mee om te gaan. 

Cocktail
Zo is het een hele cocktail geworden. Herkenbaar voor velen, denk ik. Op onderdelen. Mijn les de afgelopen maanden, geoefend met steun van een hulpverlener, is dat verdriet niet ingeslikt (kom op, verman je!) maar gedeeld mag worden. Niet eerst beoordeeld op legitimiteit (mijn zus stierf toch al 30 jaar geleden, de situatie op Lesbos is toch veel erger enz.) voordat je iemand er wat over vertelt, maar gevoeld en gedeeld mag worden in al zijn rauwheid voordat je het weer relativeert. Die tussenstap, van ‘mogen ervaren’ van negatieve emoties (hoe modern therapeutisch het ook klinkt,) is in het voorkomen van depressies (in mijn geval) een belangrijke. 

Davids (en Jobs!) klachten en klaagzangen staan tenslotte ook voor iedereen leesbaar in de bijbel…Ik lees het boek Job in de vertaling van the Message en schrik er soms van hoe direct Job God durft aan te klagen. De beloftes van Gods shalom zijn waar en troostvol. Maar ons verdriet heeft een plek, ook in de bijbel. Gelukkig maar.

Hier is een prachtige vertolking (engels) van psalm 42 door Shane and Shane.