Vrouw van een dominee 6, Idealen en realiteit

Ik krijg veel reacties op mijn blogs over mijn ervaringen als dominee’s vrouw. Veel mensen zeggen zich nooit gerealiseerd te hebben dat ik me zus of zo voelde in de periode die ik beschrijf en voelen zich ergens wat bezwaard. Hadden we dat niet moeten weten? Het is natuurlijk wel zo dat ik in retroperspectief schrijf. Veel van wat ik nu kan benoemen had ik toen zelf ook niet door en had ik ook niet tot uitdrukking kunnen brengen.

Wat een domineesvrouw behoorde te zijn had ik niet meegekregen uit mijn directe omgeving. Ik ben die rol dus zelf gaan invullen vanuit gedachtengoed dat ik me in de loop der jaren had eigen gemaakt. Vooral vanuit praktische, meestal evangelisch getinte lectuur. Over dienstbaar zijn, actief en missionair zijn in de gemeente, de aangename geur van het evangelie verspreiden onder iedereen die je tegen komt. Liefhebben zoals Jezus ons heeft lief gehad. Gastvrij zijn. En nog een aantal van dergelijke idealen waar ik warm van werd als ik erover las. Daar kon niets mis mee zijn.

In Korea had ik echter een heel ander leven achter de rug dan wat ik nu ging leiden als vrouw van een dominee, met een gezin van vier opgroeiende kinderen, zonder huishoudelijke hulp, met een schema van vijf verschillende mensen – met sport, muziek, catechisatie, zwemles, fysio, om de scholen nog maar niet te noemen met alle ouder-, rapport- en kijkavonden.  Wist ik veel? Wij hadden een beschermd leventje geleid, met nauwelijks sociale verplichtingen. Als de telefoon ging schrokken we: wie zou dat zijn? Huishoudelijke hulp, altijd ‘s avonds thuis, uren voorlezen aan de kinderen uit Lord of the Rings, schrijven, koken, lezen. Ik had een vertekend beeld gekregen van wat ik aankon als persoon.

En nu dus dat intens drukke leven van een (groot) gezin in Nederland, de verplichtingen van het predikant-zijn die altijd samen vielen met die van de kinderen wat betreft tijdstip, het eindeloze huishouden symbolisch samengevat in de eeuwige was en het weer leren leven in de Westerse cultuur. Helaas was er in die tijd nog geen begeleiding voor terugkerende kerkelijk werkers vanuit een buitenland situatie. Wellicht was ik me dan meer bewust geworden van de zwaarte van dat begin en had ik mezelf meer tijd gegund. Maar vanuit mijn jeugd kwamen de eisen van een opgeruimd en schoon huis, vanuit mijn aard de drang een perfecte moeder te willen zijn voor de kinderen en keurig aansluitend op die aard, het er volkomen willen zijn als vrouw van de dominee. Een recept voor rampspoed.

Was het enkel kommer en kwel die eerste jaren?
Nee, absoluut niet. Ik analyseer nu waarom het later wel mis moest gaan. Maar ondanks dat het moeilijke eerste jaren waren heb ik ook veel heel goede en warme herinneringen. Allereerst praktisch. Om vanuit de redelijk abominabel gebouwde huizen die we in Korea altijd hadden in een kant en klare pastorie te komen wonen was een verademing. Voor ons was centrale verwarming inmiddels een ongekende luxe geworden, na jaren kolen gestookt te moeten hebben. Warm blijven in de winter was een enorme opgave en echtgenoot droomt er nog wel eens van. Het dragen van lang ondergoed en lagen kleding was een voorwaarde. In het begin waren we vast voornemens dat ook in Nederland te blijven doen om stookkosten te besparen. Maar om met lang ondergoed onder je kleding op bezoek te gaan bij mensen die de kachel op 21 hebben staan was een ware kwelling. Dat hebben we dus snel afgeleerd en de lange onderbroeken en hemden verdwenen in de kast

We genoten van alle comfort van een Nederlands huis. De kinderen allemaal een eigen kamer in plaats van met drie op één, de oudste een ruime zolderkamer in plaats van een pijpenlaatje. De keuken werd verbouwd nadat we onze intrek hadden genomen in de pastorie, maar terwijl mijn moeder gek werd van de rommel en het primitieve gedoe tijdens de verbouwing merkte ik daar geen last van te hebben, gewend als ik was aan redelijk primitieve condities als geen warm water, tijdelijke kastruimte en esthetisch gezien onaantrekkelijke ruimtes. Het feit dat daar aan gewerkt werd was voor mij al voldoende om blij te zijn.

Onze dochter die we in Korea geadopteerd hadden kreeg in Zaandam voor het eerst de zorg en aandacht die ze voor haar handicap (Cerebrale Parese) nodig had. In het ziekenhuis kwam ze onder behandeling van een revalidatieteam dat haar geweldig ondersteunde op alle gebied. Ze kreeg voor het eerst een rolstoel, een fiets en aanpassingen in huis zoals een hoger toilet. Ze was zoveel meer mobiel dan in Korea waar de slechte, vaak steile wegen het naar buiten gaan bemoeilijkten.

Ook was het fijn na jaren van gedeeltelijk begrepen preken in het Koreaans, die we ter plekke vertaalden zo goed en kwaad als het ging voor de kinderen die konden lezen, om nu op zondag weer hele diensten te kunnen volgen, met broers en zussen het geloof te kunnen delen en lieve aandacht te krijgen. In Korea waren we geëerde gasten en werden we met alle egards behandeld maar vrienden maken was moeilijk. Nu maakten we vrienden en genoten van een meer sociaal leven. Op de koffie gaan bij mensen na de kerk, eten bij nabije kerkgenoten, een borreltje drinken bij leeftijdsgenoten. Wel ergens altijd op de achtergrond in mijn hoofd de opmerking, ooit meegekregen tijdens onze periode in Kampen op de Theologische Universiteit, ‘geen vrienden maken in de gemeente’. Gewetensvol als ik was, maakte ik me dan zorgen. Echtgenoot vond dat, tot mijn opluchting, onzin. Ik ben een mens en een mens heeft vrienden nodig, ook al ben je predikant, zei hij dan luchtig.

Eén factor heb ik nog niet genoemd. Onlangs zag ik op internet De Wandeling met daarin  oud-burgemeester Annemiek Toonen van Culemborg over de impact van privé problemen op je publieke functioneren. Haar man was alcoholist. Op den duur legde dat zo’n druk op haar dat ze in haar werk fouten ging maken en uiteindelijk moest aftreden als burgemeester. Een tragische loop van omstandigheden.

Ik was dan wel geen burgemeester en echtgenoot geen alcoholist, maar toch was haar verhaal herkenbaar. In ons geval speelde iets dergelijks. De psychische problemen van mijn oudste zus waren dermate ernstig en haar situatie legde zo’n emotioneel beslag op mij dat het een wonder is dat ik daarnaast toch nog allerlei dingen gedaan kreeg in het leven van alledag.

Eigenlijk is de periode Zaandam geheel gekleurd door alles wat er zich afspeelde met en rond haar.

Vrouw van een dominee 5, Sommige perikelen

Echtgenoot preekt op verschillende plaatsen in Nederland. Ik vergezel hem af en toe. Niet vaak, omdat ik het eigenlijk lastig vind in ‘vreemde’ gemeentes alleen binnen te komen en weg te gaan. Dat werkt ongeveer zo.

Voor aanvang van de dienst kom ik binnen in de hal van de kerk waar nog maar enkele mensen zijn. We zijn vroeg vanwege instructies die echtgenoot voorafgaand aan de dienst zal krijgen. Ik sta en bedenk wat ik ga doen. Blijven staan? Twintig minuten is lang. De aanwezige kerkleden zijn druk met voorbereidingen maken voor koffie, bezig met techniek en geluid. Ik drentel wat rond en bekijk de muren op zoek naar iets leesbaars. Een poster, een prikbord. Hoopvol zoek ik nog een boekentafel, een uitstekend middel om onopvallend toch zeker een kwartier door te kunnen brengen. Tevergeefs. Het prikbord ontbreekt ook. Dat is dus snel klaar.

Ik neem een beker koffie, maak een praatje met de koffieschenker en drentel verder. Ik kan natuurlijk iemand aanspreken, maar ik heb eigenlijk geen zin in kletsen. Goed, niet praten dan. Wil ik dat iemand mij aanspreekt? Ja, want dan gaat de tijd sneller en nee, ik wil niet zielig gevonden worden of zo.  En opnieuw, vertel ik mezelf, ik heb niet zo’n zin in een praatje.

Ik sta nu in dubio. In de kerkzaal gaan zitten, rond blijven drentelen, naar de WC gaan (ik hoef niet) of even naar buiten. Ik besluit aan deze overvloed van keuzes er één toe te voegen: gaan zitten op de koele bank in de hal, een beetje uit het zicht. Maar dan moet ik  wel een neutrale blik hebben. Niet een blik van zieligheid (kijk die vrouw daar eens alleen zitten), maar ook geen chagrijnige blik (geen wonder dat dat mens daar alleen zit). Neutraal dus. Ik trek een soort plooi met mijn lippen tussen een glimlach en een pruillip. Een soort Mona Lisa expressie. Maar al snel voel ik me een zombie. Ook geen succes.

Inmiddels zijn er nauwelijks 5 minuten voorbij. Een echtpaar dat zich bij de voordeur heeft opgesteld, duidelijk in afwachting van familie of vrienden, kijkt in mijn richting. Help, straks komen ze hier naast me zitten en moet ik van alles vragen van mezelf. Ik sta op en gooi mijn plastic bekertje weg. Dat is weer even een wandelingetje.

Zucht. Enigszins vroeg, ga ik dan toch maar in de kerkzaal zitten.

Vrouw van een dominee 4, 1988-2011 – Eerste ervaringen

Zaandam.Evangelisch-Lutherse_Maartenkerk.13_sept.2009.02

In november 1988 verhuisden we naar de pastorie in Zaandam. Echtgenoot werd bevestigd als predikant in de mooie, 18e eeuwse Lutherse Kerk-met-zand-op-de-vloer, met een hele stoet gasten aanwezig in de dienst. Het kerkgebouw werd gehuurd door de vrijgemaakt-gereformeerden in die tijd. Mijn schoonouders kwamen over uit Amerika, mijn moeder (vader was in 1986 overleden) was er bij, dolblij  ons eindelijk in de buurt te hebben. Mijn broers en zussen waren er, met aanhang, neefjes, nichtje, een aantal goeie vrienden. Het was een grote groep. Iemand zei: er waren nog nooit zoveel gasten aanwezig geweest bij de bevestiging van een predikant. Ik voelde onmiddellijk de (zeer waarschijnlijk onbedoelde) correctie: dit is overdreven, dit hoort niet …De gevoeligheid die me in de komende decennia vaak parten zou spelen: niet weten hoe het precies hoort. Of je je daar veel van aantrekt ligt aan het soort karakter wat je hebt. Mijn karakter maakte dat ik meestal gewoon wilde behoren bij de groep. Tot op zekere hoogte dan. Waar dat aan lag? Dat onzekere gevoel? Ik denk gedeeltelijk aan het terugkeren uit het buitenland na een langere periode en zoeken naar hoe de (kerkelijke) cultuur ook alweer in elkaar steekt.

Ik kwam ook ‘terug’ in een kerkelijke gemeenschap waarin ik niet was opgegroeid. Dat vergt enige achtergrond informatie.

Mijn achtergrond was wel vrijgemaakt-gereformeerd, maar mijn roots lagen in de groep die later de Nederlands Gereformeerde Kerk zou vormen. Mijn ouders waren overtuigde aanhangers van ds. Vonk, van wie mijn broers en zussen allemaal catechisatie kregen. In Schiedam, mijn geboortestad. Er heerste in ons gezin een soort anti-kerkse sfeer. Redelijk relaxed over dingen als op zondag een ijsje kopen (nou, in de vakantie dan). Ik ben de jongste en heb duidelijk vrijere herinneringen dan mijn broers en zussen. Mijn ouders waren in de loop van de tijd makkelijker geworden. In de vrijgemaakte kerk vond in de jaren zestig en zeventig een kerkelijke strijd plaats, die uiteindelijk tot een scheuring leidde. De inhoud van de hele kerkstrijd ging aan mij voorbij, ik was er te jong voor. Maar de sterk gepolariseerde sfeer in de kerken maakte dat je als kind automatisch, als door osmose, ook koos: voor of tegen.

Om een lang verhaal iets korter te maken, na als oudere tiener een tijd zonder kerk te hebben doorgebracht kwam ik door echtgenoot, na een korte omweg, terecht in de vrijgemaakte kerk (binnen verband, zoals het toen nog heette). In de kerk die ik als kind altijd gekarakteriseerd had horen worden als: stijf, liefdeloos, alleen maar geïnteresseerd in regels en wat dies meer zij. Het was dus een hele stap om daar nu lid te zijn. Mijn ervaring was heel anders dan me van te voren werd voorgespiegeld. Uiteraard, want het was een karikatuur, zoals er over de andere kant ook karikaturen bestonden.

Wat heeft dit nu voor gevolgen gehad voor mijn eerste ervaringen als vrouw van een dominee in een vrijgemaakte kerk? Ik denk dat het mij aan de ene kant wat rebels maakte: ik ben niet stijf en ouderwets en ik heb in de hele wereld, buiten de vrijgemaakte kerk, kinderen van God ontmoet die allemaal een eigen wijze van kerk-zijn beoefenen. Maar het maakte ook onzeker. Wat kan ik verwachten? Wat moet ik doen om over te komen, om erbij te horen, met behoud van mijn ervaringen en overtuigingen?

Want ik zag wel een taak liggen voor me in de gemeente. Betrokken zijn, meedoen, zieken bezoeken, mensen helpen. Mijn rolmodel was een vriendin uit Korea. Mensen uit de gemeente daar noemden haar een engel. Dat leek mij ook fijn. Wie wil er nou geen engel genoemd worden?

%d bloggers liken dit: