Uitgelicht bericht

welkom

Leuk dat je op mijn blog terecht bent gekomen. Ik schrijf niet over één onderwerp maar over hele diverse dingen die me bezighouden. Zo bèn ik, moeite om me te focussen, maar daardoor ook weer breed in mijn belangstelling. Ik ben een denker, een gelovige (ik ben een volgeling van Jezus Christus), ik lees graag en hou van kunst kijken. Ik ben ook moeder en oma, met toewijding. Maar ik ben ook iemand met beperkingen. Zo heb ik al jaren diabetes, en nog langer worstel ik met depressies. Vooral dat laatste, die Black Dog zoals ik het noem op mijn site, is een uitdaging om mee te leven. Ik schrijf er regelmatig over. Omdat ik het graag uit de taboesfeer wil halen en ook omdat er met goede medicatie en hulp te leven valt, zelfs met depressies. Dus tevens ter bemoediging. In alles wat ik schrijf probeer ik de humor te zoeken, ik hou namelijk van lachen. Humor maakt veel dragelijk!

Mijn blog is inmiddels 12 jaar oud. Tot mijn verbazing, moet ik zeggen. Via de archieven of de zoekfunctie kun je over bepaalde onderwerpen lezen. Veel plezier en reageer gerust!

 

Advertenties

Waarom huilen Koreanen?

In de kerk

north-korean-defector.jpg (630×445)

Ik weet het ook niet echt, hoor, het antwoord. Wel dat huilen, uitbundig huilen, een veel voorkomende expressie is (of was) in Korea. Ik woonde in Zuid-Korea in de jaren tachtig en wist niet wat me overkwam toen tijdens de kerkdienst de tijd voor gebed aanbrak. Net zoals ik gewend was in Nederland begon de predikant met voorbedes en dankzeggingen. Maar toen kwam een moment van hardop bidden. Ik verwachtte een gezamenlijk uitgesproken ‘Onze Vader’, of iets dergelijks. Maar binnen een fractie van een seconde onstond een waterval aan geluiden. Eerst nog ingehouden, murmelend, maar langzaam aanzwellend tot een, in mijn oren hysterische hoogte. Die overigens binnen enkele tellen weer verstomde na het belsignaal van de dominee.

Wat gebeurde er? Het was het geluid van honderden mensen die allemaal tegelijk hardop hun persoonlijke gebeden uitspraken. Maar niet alleen dat. Het waren letterlijk smekingen. Men huilde, sloeg zichzelf op de borst, bewoog heen weer als Joden bij de Klaagmuur. Ik was verbijsterd. Is dit Azie, waar men geacht wordt (door westerlingen) ondoorgrondelijk en stoicijns te zijn? Daar klopte in dit geval helemaal niets van. Maar wat was dit voor een verschijnsel? Was dit een gevolg van theologische opvattingen? Men voelde zich zo zondig en schuldig dat dit de enige houding mogelijk was ten opzichte van God in een directe ontmoeting? Wellicht.

Korean-Funeral-2-images.search.jpg (600×398)

Rouwkleding op een boeddhistische begrafenis

Korean-traditional-funeral-3-images.jpg (600×398)

Knielen voor het altaar uit respect voor het overleden familielid

Rouw

De tweede ervaring met dit fenomeen was ook aan het begin van ons verblijf in Busan. We woonden in een klein appartementencomplex. Op de eerste verdieping, pal onder ons, was iemand overleden. De familie verzamelde zich. Dagenlang bivakeerden zij in de flat. Gekleed in de rouwkleding van een kennelijk boeddhistische familie. Over het kostuum droegen de mannen een hennepmantel en een soort hoge hoed van hetzelfde materiaal. Men hing wat rond. In de overdekte ruimte onder de eerste verdieping werd gerookt, veel gedronken en gewacht.

De begrafenis

De begrafenisdag brak aan. Op de binnenplaats werd een altaar opgericht, zoals op de foto. Met op het altaar een grote afbeelding van de overledene. De mannen en vrouwen bogen diep en de stoet vertrok richting de begraafplaats. Uren later hoor ik een hartverscheurend gehuil en geschreeuw. Wat is er in vredesnaam aan de hand? Op het balkon zie ik de begrafenisstoet terugkeren. Volkomen hysterisch, schor huilend, schuddend, bijna flauwvallend, elkaar ondersteunend nadert men de flat. Wat een vertoon. Later begrijp ik dat dit een teken van diep respect is voor de overleden vader of moeder. Hoe harder men huilt des te groter het respect.

Tranen en respect. Daar zit dus een link. Respect tonen door als het ware op commando te huilen. Hoe harder hoe beter. Ons volkomen vreemd. Hoe minder vertoon van emotie hoe beter immers? Wij zeggen dan al gauw ‘theater’. Superieur als we ons meestal voelen.

De burgeroorlog

Maar een tweede reden achter de tranen in de kerk is (of was) er volgens mij ook. In de jaren tachtig was de Koreaanse oorlog (1950 -1953) relatief gezien nog niet zo lang geleden. We hebben het dan over een periode van dertig jaar na de wapenstilstand. Nu ik ouder ben realiseer ik me des te meer hoe kort dertig jaren eigenlijk zijn. In de jaren van de oorlog zijn honderdduizenden Noordkoreanen gevlucht voor het communisme, naar het zuiden. Met achterlating van vaders, moeders, oma’s en opa’s, broers en zussen, kinderen, kleinkinderen. Zelfs vrouw of man. Gevlucht om in leven te blijven. Met niets. In bittere armoede weer een leven moeten opbouwen. En nooit meer je geliefden kunnen zien. Of spreken of schrijven. Niets.

Dan komen er ook tranen wanneer je mag bidden en je nood mag klagen. En hoeveel van de mensen die om mij heen zaten in die vroege jaren tachtig hadden geliefden op die manier verloren? Ik weet het niet. Men sprak er niet veel over. Maar ik weet zeker dat de tranen om die verloren liefdes zich mengden met de tranen van respect en zondebesef. En in Gods liefde vond men gelukkig diepe troost.

De massale huilpartijen op televisie die wij soms zien na het overlijden van een leider in Noord-Korea zijn natuurlijk ‘gedwongen’. Wee degene die niet treurt om de leider. Die toont immers geen respect, heeft diegene niet hoog geacht, niet lief gehad. Hoe harder en hartstochtelijker men snikt des te beter. Bevreemdend voor ons. Gedwongen voor de meesten daar, maar niet zo vreemd als voor ons. Het hoort ergens bij de oude tradities van het land. En wie weet biedt het gelegenheid stiekum wat tranen te storten om alle ellende die al decennia heerst in dat mooie, maar zo wreed verdrukte land.

Ik zie de bui al hangen

Het was maar een korte uitzending. Laat op de avond, dus ik had hem bewaard voor later op ‘uitzending gemist’. Het was een aflevering van Kruispunt over depressie. Een interview met Antoine Bodar, priester en kunsthistoricus, over zijn depressieve periodes en Marjolein van Kooten. De laatste is een vrouw, schrijfster en (psychiatrisch)cabaretier, die van haar ziekte haar beroep heeft gemaakt.

Haar angststoornis is onderwerp van haar theatervoorstelling waar ze met van alles de draak steekt. Humor als wapen tegen psychische aandoeningen. Dat spreekt me zeer aan. Lachen is helend. De ziekte is al erg genoeg maar zelfs als je middenin een donkere periode zit is het mogelijk om te lachen, hoe paradoxaal dat ook klinkt. Echte humor is immers een lach in een traan?

Bodar ontroerde me. Kwetsbaar en open over hele duistere fasen in zijn leven. Suicidaal en zonder enige levenslust. Voor wie het kent bijna moeilijk om aan te horen omdat het zo herkenbaar is. Ik besefte zelf weer even hoe ver weg ik geweest ben. Marjolein van Kooten verwoordde het heel goed, dat dwaze verschijnsel van je slecht voelen en denken dat het altijd zo was en nooit meer goed zal komen. En vervolgens in een goeie periode je niet meer te kunnen voorstellen hoe het was toen het zo donker was. Alsof je in twee dimensies leeft. Daarom noemt zij haar theatershow ‘Ik zie de bui al hangen’. In goede periodes begin je je op een bepaald moment toch zorgen te maken. Dit duurt nu al zo lang…dat kan niet zo blijven, toch? Ik ga zelf momenteel door een hele goeie periode en het bekijken van een programma als Kruispunt kan dat knagend gevoel losmaken.

De humor van Marjolein geeft verlichting. En de woorden van Bodar. Voor een gelovige is het bestaan van God en je leven in de glans van Zijn liefde te mogen zien (niet voelen altijd) een reden om door te zetten. Bodar zegt: Om fier te zijn.

Margreet

februari 7, 2018

The Great Stink

Het is de naam voor een periode in 19e eeuws Londen.  De stank die de Thames verspreidde was zo intens en ondragelijk dat het gemeentebestuur eindelijk besloot dat het genoeg was. Parlementariers konden niet meer werken in het parlementsgebouw aan de Thames, ondanks natte lakens met chloor voor het raam en karrevrachten met kalk en kalkchloor die gedumpt werden in het water.  Het water in de rivier was verandert in een onafzienbare, stilstaande prut, derrie, zeg maar vloeibare kak…

In Duitsland had ene von Pettenkofer halverwege de eeuw een berekening gemaakt dat een mens per dag drie pond ontlasting produceert. In de stad Munchen woonden rond 100.000 inwonders. Dit keer drie pond en tel uit je winst…Per dag! Waar bleef al die smurrie? Volgens de schrijver werden er per dag 10 karrenvrachten afgevoerd en de rest…ja, waar bleef de rest? En de mest van dieren en ‘de menigte van vuiligheden en rottende delen van allerlei aard?’ Nou, in London lag het in de Thames blijkbaar.

Ik las dit verfrissende stukje proza in een boek van Auke van der Woud, Koninkrijk van sloppen, Achterbuurten en Vuil in de 19e eeuw.(o.a. bldz. 269) Een fascinerend boek waar af en toe je maag van omdraait. Veel van de geschiedschrijving over de 19e eeuw is gedaan vanuit het perspectief van de gegoeden. Volgens de auteur slechts 3 to 5 % van de bevolking toen. Dan was er een helft die tot de zogenaamde middenklasse behoorde (ook weer onderverdeeld in hoog, midden en laag) en de andere helft behoorde vervolgens tot de lage klasse. Eveneens onderverdeeld. Een kwart daarvan behoorde  tot de  aller- allerarmsten.

We hebben het over de eerste helft van de 19e eeuw. Nederland telt zo’n vijf miljoen inwoners.  Twee miljoen mensen konden het ‘redelijk’ redden, maar zonder vetpot. Nog eens twee miljoen konden het net, net niet of helemaal niet redden, het werkvolk, het plebs. En een elite groepje van rijken. Die daar niet wakker van lag. Nederland was nog sterk een standenmaatschappij. Gelukkig kwamen er meer en meer protesten tegen de schrijnende armoede van velen. Als er al een idyllisch beeld bestaat door kunst of literatuur dan gaat het over de levens van wellicht 150 tot 200 duizend mensen. Zij bouwden de mooie huizen, droegen de elegante mode, schreven de gedichten en hadden voldoende tijd en geld om over andere dingen na te denken dan overleven.

865da19156f139542f831b35ec1de958.jpg (1386×842)

Ik ben gaan lezen over de 19e eeuw in verband met het bestuderen van mijn familiegeschiedenis. Die gaat (aan beide kanten) veel verder terug dan de 19e eeuw, maar ik moet ergens beginnen. En omdat mijn familie (aan beide zijden) zeker niet in de 19e eeuw tot de happy few behoorde, intrigeert het me mateloos om te weten hoe het leven van deze mensen er dan uitzag van dag tot dag.

Van het boek van Van der Woud wordt een mens niet vrolijk. Wat een armoede. Wat een vunzigheid. Wat een tragiek in het sterven van zoveel mensen (kinderen en volwassenen) als gevolg van de slechte gezondheidszorg en een totaal gebrek aan arbeids- of voedselveiligheid. De Keuringsdienst van Waarde zou overuren gedraaid hebben. Van overheidswege was er weinig tot niets geregeld, uit angst en aversie voor regelgeving. Blijkbaar stond de samenleving in de 18e eeuw bol van de wetjes en regels en was men daarom uit reactie wars van elke vorm van centraal bestuur geworden. Daarbij hing men de gedachte aan dat armoede een soort natuurwet was. Alleen de kerken konden voor enige verlichting zorgen.

 

Ik lees in de huwelijksacte van mijn betovergrootvader Jan van Katwijk dat hij wegens ‘ ‘behoeftige omstandigheden’  is vrijgesteld van het betalen van leges voor de ondertrouw. Bij zijn huwelijk met Gerritje van der Bruggen in 1830, op twintigjarige leeftijd, wordt het eerste kind ge-echt. Hun Maria was al geboren voor er blijkbaar gelegenheid kwam om te trouwen. Zijn vader Pieter stierf toen Jan zes was. Dat moet indertijd een ramp geweest zijn. Als touwslagersknecht verdiende je een klein loon. En van pensioenen had men niet gehoord nog. Zeer waarschijnlijk leefde zijn moeder van de bedeling,  wat verklaart waarom hij in zulke armelijke omstandigheden verkeerde. Hij woonde aan De Baan, een van de sloppen en stegen van Schiedam. In het boek van van der Woud lees ik over de leefomstandigheden in die woningen. Vaak niet meer dan 1 kamer, met in de hoek een ‘stilletje’, een ton voor de behoeftes. 1 kamer voor het hele gezin,  dat in zijn geval zich uitbreidde tot twaalf kinderen die voor zover in kan nagaan allemaal in leven bleven.

verklaringvarmoedejvk

Dat was voor die tijd ongebruikelijk, want de kindersterfte lag op 30%. Een sterk geslacht dus. Deze Jan van Katwijk, die in 1828 te arm is om de leges voor zijn trouwakte te betalen en in behoeftige omstandigheden verkeert, krijgt uiteindelijk een kleinzoon Jan (1856-1956) die zal leven tot hij bijna 100 is! En uiteindelijk een aantal winkels in het centrum van Schiedam heeft aan het Broersveld. Glas(zetters)- en verfwinkels. Als kind zag ik ze nog rijden: wagens met de naam Van Katwijk Schildersbedrijf. Maar de zaken zijn lang geleden verkocht. Mijn overgrootvader is in betrekkelijk miserabele omstandigheden overleden in 1956. Zijn vader was de ververij ingegaan en dat was een gunstige keuze  voor de van Katwijk-familie. Ik begrijp uit het boek van Van der Woud dat ‘upward mobility’ uitzonderlijk was voor de Tweede Wereldoorlog. Eens een dubbeltje….

Wel is het zo dat een voorvader in de 18e eeuw lid was van het Lucasgilde in Schiedam. Het gilde dat  zich daar specifiek bezig hield met alles wat met glas en verf te maken had. Ergens ligt er dus een vroege link tussen die voorvader van Katwijk en Jacob die weer die business inging. Een spoor om verder te onderzoeken. Glas is in de 19e eeuw van groot belang in de stad Schiedam vanwege de jeneverindudtrie. Glazen flessen en zo! 

Onder andere n.a.v Koninkrijk van Sloppen, Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw.
Auteur: Auke van der Woud
Uitgeverij: Bert Bakker
ISBN: 978 90 351 3597 0

 

Advent

De Kerststal

Vorig jaar kochten we deze ‘ kerststal’ in Utrecht. Gemaakt door mensen met een verstandelijke beperking. We waren onmiddelijk weg van de vrolijke uitstraling. Een simpele uitbeelding maar zo goed getroffen. Hier is iets bijzonders gebeurd! Zelfs de schaapjes glimlachen. Ja. ik weet het, als je goed kijkt zie je dat er een oor is afgebroken…Helaas. Aan de andere kant ook weer een mooi symbool. Die oorspronkelijke schapen en mensen zullen ook wel zo hun barsten, littekens en deuken gehad hebben.

Advent
Advent. Wachten op de viering van de komst van een baby. Hoe spannend kan dat zijn! In alle culturen en bij alle volken op aarde is de komst van een nieuw mensenkind reden voor een feest. Maar hier komt God Zelf. Als een doodgewone baby. Bij arme Joodse ouders. Niet te bevatten.  Dat kun je niet geloven, tenzij hij in de rest van zijn leven iets heeft laten zien dat geen mens ooit kan. En dat heeft Hij. ‘Bewezen Gods zoon te zijn door op te staan uit de dood, waarvan vele getuigen nog in leven zijn’ , zal later een volgeling van hem zeggen.

Hij leefde onder ons…

Als baby al vluchteling in Egypte, als kind en tiener opgroeiend in Nazareth, als twintiger waarschijnlijk werkzaam als timmerman, in het bedrijf van zijn vader. Dan, nauwelijks een jonge man reist hij drie jaar door zijn land om met zijn landgenoten te delen wie hij eigenlijk is en waarom hij gekomen is. Dan geeft hij zijn leven en sterft. Na drie dagen staat hij op uit het graf en  gaat terug naar de hemel. Een voor ons onzichtbare werkelijkheid.

Er zijn ontzettend veel verslagen van zijn leven in het begin van de eerste eeuw in Palestina. Van zijn bewogenheid  voor de armen, de zieken, de daklozen en bedelaars. Van de ongelofelijke wonderen die hij deed. Doven gehoor geven…Blinden gezicht, doden weer leven.  Heeft hij iedereen in een keer geholpen? Hele massa’s tegelijk? Nee, af en toe, hier en daar, een aantal.

om het goed te maken tussen God en ons

Het ging namelijk niet in de allereerste plaats om een gezond lichaam of een gezonde geest.  Het ging veel dieper. Het ging erom dat mensen hem zouden erkennen als de Redder van de mensheid. Alle gebrokenheid in de wereld is een symptoom van iets anders. Zoals pijn een signaal is. Ziekte of dakloosheid is ten diepste niet de oorzaak van ons gebrekkige leven. Gezondheid, rijkdom, eer, macht, wat dan ook, staan nooit garant voor geluk. Integendeel. Lees de roddelbladen maar.
Het met onze rug naar God gekeerd staan, is de existentiele oorzaak van alles wat niet goed is in de wereld. Jezus de Godmens wil ons weer de goeie kant op zetten. De weg is vrij. Het obstakel, de zonde is weg.

Met Advent zegt Jezus: Hier Ben Ik. Ik Ben met jullie. Immanuel. Er gaat iets nieuws beginnen! Heden is de Heiland geboren.
Daarom kijken ze zo blij, die simpele figuurtjes om de kribbe.

Bij de wilde beesten af…

9789024568727_VRK.jpg (583×900)    9789024568901-de-dieren-van-ver-l-LQ-f.png (160×247)    56e7a70a0d8906.14579214.jpg (593×900)

Ik ging dus mijn lokale boekhandel steunen. Ik ging een jeugdboek bestellen uit een serie waarin wilde dieren een rol spelen van Piers Torday.  Ik woon in een klein stadje en ben ontzettend blij met alle voorzieningen. Theater, bioscoop, een HEMA en een goeie boekhandel. Die moet je steunen. Dus niks bol.com. Wel makkelijk als je haast hebt natuurlijk, binnen een dag bezorgd. Maar ik ben stoer.

Ik vraag mijn boekhandel naar een bepaald jeugdboek. Helaas niet op voorraad. Maar geen probleem hoor, zo besteld! En voor zaterdag (ons Sintfeest) binnen. Zeker weten? 100% zeker, mevrouw! Per post of koerier uiterlijk vrijdagmiddag binnen. Ik ga gerustgesteld en voldaan naar huis. Mijn plaatselijke man gesteund. En een mooi boek onderweg. En op tijd binnen.

Zaterdagmiddag. Een half uur voor het feest arriveert het boek, gelukkig nog net op tijd! Toch wel even melden, denk ik nog vluchtig, goed voor hem om te weten dat je niet helemaal vertrouwen kunt op de uitgever/Post.nl. Dan barst het Sintgeweld los en ik ben alleen maar blij met het boek. Helaas blijk ik deel drie in plaats van deel twee besteld te hebben.

Maandag naar het ‘staadje’ (Utreg’s voor stadje=centrum) getogen om het boek te ruilen. Ik dacht ‘even’ in de betekenis van terugbrengen en opnieuw bestellen en hoppa op de fiets naar huis. Maar…De boekenman is niet happy als ik nog vrolijk gestemd, deel 3 op de toonbank leg met de vraag het andere deel te bestellen voor me.

‘Wat moet ik met deel 3?’, zegt hij nors. ‘Zit helemaal niet in mijn assortiment. Onverkoopbaar’. Het verbaast me. Hij heeft juist een goed aanbod van de betere jeugdboeken.
Er begint in mij iets te bewegen. Een tweegesprek. ‘Dan hou ik deze wel’, wil de conflicthatende Margreet zeggen, die alle problemen zo gauw mogelijk wil oplossen.
‘Ben je gek’, zegt de flinke Margreet, ‘je moet toch een boek kunnen ruilen, wat is dit nou?!’
Ik zet mijn irritatie om in een creatieve oplossing: ‘Bestel de andere 2 delen, die heb je zo verkocht!’

‘Nee’, zegt de brombeer. Dan wordt het mijn probleem. Dan kost het mij geld. En ik ken dat hele boek niet.’

CY9DiN7WwAEDyby.jpg (468×292)

De inmiddels boos-wordende-Margreet denkt: Je zoekt het maar uit. Ik doe mijn best jouw winkel te steunen en dan sta je zo te jeremiëren…Los het maar op!’
Met veel tegenzin bestelt de man het tweede deel van de steengoede serie van Torday.  De sfeer is niet helemaal ‘je van het’, maar het is me gelukt vriendelijk te blijven. Echtgenoot die verderop staat heeft al een paar keer met opgetrokken wenkbrauwen mijn kant uitgekeken.

Voor ik vertrek wil ik hem nog even attent maken op het feit dat de 100% garantie niet helemaal klopte. Naief verwacht ik een kort, maar gemeend antwoord, zoiets als: ‘Oh echt? Sorry, maar ja, het is inderdaad een drukke tijd…volgende keer zal ik iets meer onzekerheid inbouwen..’
Al was het de helft geweest, dan nog had hij mijn volledige begrip gekregen. Maar ik had het kunnen weten.
Wat zegt mijn boekenman tegen zijn klant die juist voor hem de webshop meed:

Met licht dedain zijn schouders ophalend: ‘ Ach ja…een dag..wat is nou een dag..moet kunnen..gewoon een drukke tijd.’

Er is in mij geen innerlijke tweestrijd meer. Ik vind deze man ronduit onaangenaam. En mijn irritatie begint uit mijn oren te stomen. Maar wat zeg je tegen zo iemand? Duidelijk niet bereid om ook maar enige klantvriendelijkheid te tonen. Ik had het helemaal verpest met mijn ruiling.
Ik probeer het nog een laatste keer.
‘Nee, dat snap ik, maar omdat je het over 100% zekerheid had toen ik het bestelde voor de Sint…’ Aan zijn gezicht zie ik dat het geen zin meer heeft.

Nog niet helemaal overtuigd van de gebeurtenis, loop ik met echtgenoot naar buiten.
‘Ik kon mijn oren niet geloven’ , zegt die ‘daar gaan we dus niet meer heen. Wat een volkomen gebrek aan klantvriendelijkheid!’

online-cursus-klantgerichtheid-en-klantvriendelijkheid-15-638.jpg (638×479)

Ik voel me enigszins gesteund. Maar ik ben een twijfelaar en begin mezelf al snel af te vragen of ik nu onredelijk was? Misschien dat boek niet ter ruiling aan had moeten bieden? Wat vinden jullie, lezers?

Een ding weet ik zeker. Volgende keer wordt het niet meer de lokale boekhandel. Ook niet de beroemde webshop. Ik ga voortaan voor boeken naar Van Rietschoten. Excellente, viendelijke en snelle service!

Danken

pelgrim-met-indiaan-1024x656.jpg (1024×656)

Nederland kent van oudsher ‘Dankdag’. Maar die is van een heel andere orde dan ‘Thanksgiving’ in Amerika. ‘Dankdag voor gewas en arbeid’ is de enigszins statige titel van de (voorzover ik weet) uitsluitend kerkelijke viering van dankdag in Nederland. Jammer eigenlijk. Zoals zaaien en oogsten ver van ons af is komen te staan, zo is thuis dankbaarheid vieren ook een onbekend fenomeen geworden. Veel kerken hebben geen aparte samenkomsten meer. Het danken wordt meegenomen in de reguliere diensten op zondag. Nog weer een stapje verwijderd van de rauwe werkelijkheid van bloed zweet en tranen op de akkers. Ja, natuurlijk onze agrarische sector werkt niet meer als Adam met de blote handen in dorre aarde. Wij hebben computers en machines en weet ik wat al niet meer (ik ben geen boerendochter) die het zaaien en oogsten makkelijker maken. Laat de rest van de wereld maar ploeteren, bij ons ligt alles gewoon in de winkel, en als het klimaat even niet mee zit importeren we de spullen toch? Dus ja, dankbaarheid?

Thanksgiving in Amerika is als een oogstfeest begonnen.  Kolonisten alias vluchtelingen (of andersom) uit Engeland hadden nauwelijks het eerste jaar in Massachusets overleefd. Meer dan de helft was overleden door ontberingen en honger.  Toen er eindelijk geoogst kon worden  hielden ze een dankmaal. Samen met de oorspronkelijke bewoners van de streek,  de Wampanoag. Na veel hongerlijden was er eindelijk een overvloed aan eten. Op de vlucht voor de religieuze politie van de Anglicaanse kerk in Engeland waren de protestantse Puriteinen via Nederland naar Amerika gevlucht om daar een nieuw leven te beginnen. Tegenwoordig is er veel kritiek op de romantische versie van het verhaal, met name vanuit de beweging van de oorspronkelijke bewoners van het land. De komst van de blanke Europeanen heeft onbeschrijflijk veel ellende gebracht en hele stammen zijn uitgeroeid. Niet alleen door geweld, aanvankelijk ook door ziekte en alcohol. Het vieren van Thanksgiving wordt door hen als pijnlijk ervaren. Gezien vanuit hun perspectief zeer begrijpelijk.

gettyimages-526510338.jpg (6339×4656)

Getty images

Hoe dan ook, op het eerste oogstfeest waren meer Wampanoag aanwezig dan Puriteinen. Ze brachten geen pompoentaart en cranberries mee maar, volgens een ooggetuigeverslag, vier herten.
De Thanksgiving-viering, zoals Amerika die nu kent als familiefeest, begon in feite pas in de 19e eeuw. Hier en hier staan leuke artikelen daarover.

black-friday.jpg (500×359)Waarom dit hele verhaal? Omdat ik de traditie in Nederland zou willen introduceren. De commercie heeft Black Friday helaas wel overgenomen (koopjesdag na Thanksgiving in de VS), maar heeft het Dankfeest laten liggen. Maar danken in familie- en vriendenkring  is fantastisch. Om de tafel, met feestelijk eten en even niet over meer, maar over wat er allemaal al is om dankbaar voor te zijn. Dat hoeft niet eens perse een christelijk feest te worden, hoewel danken wel een richting naar Iemand lijkt te hebben. Het is helend en verrijkend. Voor het eerst sinds jaren vierden wij het deze keer met vrienden. Tijdens het eten, tussen de kip (nee, geen kalkoen..) en de pompoentaart in namen we een moment om persoonlijke ervaringen te delen waar we waar we God voor wilden danken. thumbnail (200×300)We zongen een lied en we lazen een oogstpsalm (psalm 62). Niks bijzonders zou je zeggen, maar de setting van een feestmaal, het intieme van het delen van onze dankpunten en het altijd vreugdvolle van samen zingen en vervolgens samen God danken en loven, maakten het verrassend mooi.

We zeiden bij het afscheid, ‘dit is iets wat we als huiskringen zouden kunnen doen volgend jaar!’ En zo is er misschien een nieuwe traditie geboren. Daar hebben we geen Puriteinen of kalkoenen voor nodig. En we hoeven er ook geen werelddeel onterecht voor te veroveren. Het is simpel gezegd een Dankbaarheidsfeest.

Familie-archief en de moeite met opruimen

Familie
Ik verzamel. Foto’s, knipsels, papiertjes, het maakt niet uit, als het ook maar iets met de familie te maken heeft stop ik het in de desbetreffende map met de familienaam waaronder het bewaard moet worden. Ik heb inmiddels 12 mappen met familienamen in beide richtingen. Nu raken die mappen regelmatig vol en dwing ik mezelf er weer eens doorheen te gaan. Een mens kan immers niet ALLES bewaren. Veel aantekeningen heb ik op losse papiertjes staan en daar word ik zo nu en dan gek van. Maar op ieder papiertje staat naast dubbele informatie ook net weer iets unieks. Papiertje nog maar even bewaren. Terug in de map dus.

Opschonen

Gisteren had ik een opschoonbui. Ik ben langzamerhand bezig feiten en informatie op te slaan op de pc en foto’s aan het scannen. Een project dat zo verslavend is wanneer ik daar een keer mee bezig ben, dat ik het soms uitstel om verder te gaan. Om te voorkomen dat ik niet weer, uuuuuren later, uit een soort roes ontwaak. Maar goed, met het oog op dat project nam ik een paar mappen terhand om die te ontdoen van wellicht onnodige en/of dubbele paperassen en foto’s.

Ik startte met de map van mijn moeder, of beter gezegd met die van haar familienaam, de familie van Katwijk, de dikste map. Opruimen is, net als genealogie, een gevaarlijke bezigheid, zoals iedereen die het weleens doet zal weten. Ieder ding dat door je handen gaat houdt het risico in zich dat je er tenminste een uur mee bezig kunt zijn. Of een hele dag. En dan denk je na al die vervlogen uren, waar was ik nu ook weer mee begonnen?

Ik besloot de rouwpost die mijn moeder (mijn vader was jaren daarvoor al

Co van Katwijk, 19/10/1997

overleden) ontvangen had na het sterven van mijn oudste zus in 1992 weg te doen. Maar eerst toch nog (even) door te lezen. Wie weet zat er nog iets bij, informatie of zo, over haar. Mijn zus pleegde zelfmoord, al 25 jaar geleden en nog steeds houd me dat bij tijd en wijle bezig. Dus die brieven wilde ik zeker bekijken. De meeste kon ik na vlugge lezing in de papiermand gooien. Mooie woorden, pogingen tot troost, maar niet heel persoonlijk.  Sommige heb ik echter bewaard. Brieven van geschokte, verdrietige mensen met wie ik zelf geen of weinig contact heb of had, maar die mijn zus kenden.  

Een oud-leerling, een studiegenoot.  Wellicht kunnen ze me nog eens wat over mijn zus vertellen, zo redeneerde ik; ik heb er hier al eerder een blog over geschreven. Inmiddels 20 jaar ouder dan zij ooit geworden is, was en blijf ik haar acht jaar jongere, ‘ kleine’ zusje. Zij had al een heel leven achter de rug toen ik kwam kijken, bij wijze van spreken. En van dat leven weet ik tot op heden (te) weinig af.

Er waren een paar uur voorbij gegaan. Tijd voor een pauze. Voor mijn gevoel had ik een lange, verre reis gemaakt. Ik moest nodig landen in het hier en heden. Steeds weer een vreemde ervaring  hoe je zo in gedachten tussen de tijden door kunt bewegen, als een vlinder die rondfladdert in een vlinderstruik.  Ouder en jonger, levenden en gestorvenen, gestorven bekenden  en levende vreemden die vrienden waren. Ik moest een momentje in het heden een boterham eten.

Een oud adressenboekje

adresboekje Ma

’s Middags verder. Volgende item: oud adresboekje van mijn moeder. Foeilelijk ding, zoals mijn moeder meestal eerder nuttige (goedkope) dan mooie dingen voor dat soort zaken had. Weg ermee! Toch even kijken. Ze had de gewoonte (ik heb het van haar!) in alles aantekeningen te maken, gewoon op elk papieren oppervlak dat op dat moment voorhanden was. Wie weet vind ik iets unieks. Slecht plan. Bladzijde voor bladzijde begint zich een heel leven voor me af tekenen. Dat van haar, mijn vader en mezelf, broers en zussen. De adressen van  vrienden en familie, in een stevig, helder handschrift genoteerd. Bij verhuizingen doorgehaald en iets minder duidelijk ernaast of eronder gekrabbeld.

Ik herken de namen van vele vrienden van vroeger. De feestjes en bezoeken beginnen zich als een film in mijn hoofd af te spelen. Ik hoor het geroezemoes en gelach en ruik de rook. Ik vond het gezellig als er mensen kwamen. Er was lekkers, limonade, zoutjes. Alle dames puften Stuyvesant en de heren echte sigaretten. De jenevertjes, de advocaatjes. Ze genoten ervan. Mijn vader dronk graag een borreltje. Mijn moeder niet. Kon er niet tegen en begon na 1 advocaatje al woorden om te draaien. Wat de feestvreugde alleen maar verhoogde.

Ik zie bij de naam van een goeie vriendin van mijn moeder de keuken weer voor me waarin ze samen stonden te smoezen. ‘Kun je het zien?’, vroeg de vriendin bezorgd, alsof ze zich schaamde. ‘Welnee joh’, zei mijn moeder ‘hou je tasje ervoor.’ Verwend kind als ik was rustte ik niet totdat mijn moeder me vertelde wat niet gezien mocht worden. Wist ik veel. ‘Ze krijgt een baby’, fluisterde mijn moeder uiteindelijk, niet bestand tegen mijn gezeur.  Ik was stomverbaasd. Dat was toch juist fijn had ik altijd geleerd. Ik had geen idee van hoe zwaar een groot gezin kon zijn voor vrouwen; van de relatieproblemen van het stel. Nog minder van de verwarring die de aankondiging van mijn eigen komst, zeven of acht jaar daarvoor, had gezaaid. Op een vijfde kind was niet meer gerekend in feite. 

Werden er diepere gesprekken gevoerd op de feestjes en verjaardagsavonden? Ik kan het me niet goed herinneren. Maar ik was een kind dus zal dat niet zo opgevangen hebben. Er was natuurlijk altijd een mannen-en een vrouwenhoek. Men kende elkaar allemaal van de kerk, dus de wortels gingen diep. Van de familie was niet iedereen van dezelfde kerk. Dat lag gevoelig, dus lette men op de woorden. 

Alle adressen van broers en zussen zijn doorgestreept. Op een paar na. Die leefden nog in mijn moeders tijd, maar zijn nu ook overleden. Zwagers en schoonzussen, van beide kanten zijn ze er niet meer. Een hele generatie mensen samengebald in een onooglijk NafNaf adressenboekje met een kartonnen kaft. Metafoor voor onze vergankelijkheid.

En verder

Ga ik het bewaren of doe ik het weg? Eerst moet ik nog wat andere dingen bekijken. De agenda van mijn zus uit het jaar 1992. En het gastenboek wat ik had aangeschaft voor mijn moeder. Toen ze begon te dementeren en vaak zei dat er nooit iemand langs kwam,  zouden we in het boek opschrijven wie en wanneer bij haar langs was geweest. Ze ging het echter gebruiken als een soort dagboek met berichten aan mij, hoe het met haar ging. heel ontroerend. Na 10 jaar wil ik het weer eens lezen.
Daar heb ik echt een nieuwe dag voor nodig. Ik ben moe en stap uit mijn tijdcapsule.
Heb ik nog dingen opgeruimd? Jazeker.

Nou, eerlijk gezegd, beter georganiseerd. Want weggooien, je weet maar nooit of je er spijt van krijgt…:)