Vergeetwoord, Rynbende en mijn vader

Tantjem

Vergeetwoord. Het is een rubriek in de Taalstaat , een radioprogramma van de NPO op zaterdagochtend, gepresenteerd door Frits Spits. Gewone, ouderwetse, heerlijke radio. Er komen veel woorden voorbij die ik herken en zelf nog gebruik. Vorige week was er een mij onbekend woord, namelijk ‘mullen’. Niet als in het ‘mulle zand’, maar als een karakterisering van een moeilijk, zeurderig iemand. Een mul iemand. Leuk. Je kunt je het voorstellen, de moeizame gang door mul zand en dat dan als metafoor van het optrekken met een persoon die klagerig is. Ik ken wel een paar mulle mensen.
Maar ik werd vooral geprikkeld door een bijdrage van Frits Spits zelf. Over het begrip ‘dividend’. Niet een vergeetwoord maar zo’n begrip waarvan je alleen echt de betekenis doorgrondt wanneer je in een bepaalde wereld zit. Iets met banken en financiën.
Dat deed me terug denken aan vroeger. Aan een ander woord. Ik ben van 1955, dus het moet zo begin jaren zestig zijn geweest dat ik dat woord oppikte dat om de een of andere reden altijd tot een bepaalde opgewektheid bij mijn ouders leidde. Het was een vreemd woord, maar ook wel een mooi woord vond ik. Mijn liefde voor talen zat er toen al in. Ik verstond ‘tantjém’. Als dat magische ‘iets’ er was konden we opeens van alles kopen. Het wás er ook niet, nee, het was bínnen. Dat vond ik wel wonderlijk, want ik zag namelijk niets. Toen ik wat ouder werd begreep ik natuurlijk dat het over geld ging. Een extraatje in de maand december, afhankelijk van hoe goed de zaak het gedaan had. Ik hoor het woord nooit meer. Een vergeetwoord dus.

Tantième, frans. Evenredig aandeel in de winst

Rynbende

Mijn vader werkte als vertegenwoordiger van een jenever distilleerderij, de firma Rynbende in Schiedam, onderdeel van de Gist en Spiritus fabriek in Delft. Later, in de jaren zeventig opgegaan in Henkes. En nog weer later werd dat Bols.
Maar in mijn jonge jaren was Rynbende een begrip bij ons thuis. In de jaren twintig begonnen als jongste bediende, hij was twaalf, dertien jaar, had mijn vader zich opgewerkt tot vertegenwoordiger. Hij reisde het hele land af om klanten te bezoeken en te winnen. Klanten waren over het algemeen café’s en restaurants. Maar ook wel groothandels en kantines. Met mijn vader op pad hield voor mij in naar een ‘zaakje’ gaan. Zo noemde mijn vader steevast zijn klanten immers. Die en die zaak had zoveel besteld. Af en toe vergezelde mijn moeder hem een dagje mee en mocht ik als jongste mee. De flesjes chocomel die ik dan kreeg waren het summum. Ik herinner me ook nog goed hoe hij in een bepaald seizoen (zomer?) thuiskwam met allerlei flessen drank en dat mijn moeder dan moest proeven…Nieuwe bessenjenever, nieuwe citroenjenever, advocaat. Mijn moeder was absoluut geen drinker dus na een paar slokjes was ze al vrolijk.

Ontslag en de gevolgen

Mijn vader was een werknemer van het oude slag, met hart voor de zaak. Hij werkte ruim veertig jaar bij Rynbende toen het bedrijf werd opgekocht door Henkes. Mijn vader werd ontslagen, hij was ‘overtollig’ geworden. Gekrenkt was hij tot in het diepst van zijn ziel. Vijf jaar daarvoor waren we verhuisd van Schiedam naar Gelderland en had hij juist promotie gemaakt. Hij was hoofdvertegenwoordiger geworden van een groot rayon. En dan opeens, overtollig. Achteraf gezien bleek hij weg gepromoveerd.
Hij was totaal verstrengeld met zijn werk. Het was zijn leven, zijn identiteit. Logisch als je direct na de lagere school al begonnen bent met werken. Er was in die tijd geen oog voor het leed dat zo’n ontslag teweeg bracht. Mijn vader ging door een lang en pijnlijk proces van (onbegrepen) rouw en (non)acceptatie. Hij verzette zich hevig tegen de (onrechtvaardige)ontslagregeling en vocht die aan met hulp van een advocaat. Hij raakte erdoor geobsedeerd en kon jarenlang nergens anders meer over praten dan over het onrecht dat hem na zoveel jaren trouwe dienst was aangedaan. Ik was een puber toen hij ontslagen werd en stortte mij in het vriendjescircuit om aan de sfeer thuis te ontsnappen. Het was geen leuke tijd om mee te maken.

Mijn vader is altijd blijven worstelen met het feit dat hij nu ‘niets’ meer was. Anderen gingen naar hun werk en hij ‘zat maar thuis’. Nu zou er zoveel meer hulp voor hem geweest zijn. En begrip. Toen ergerden we ons aan dat voortdurende gepraat over ‘onrecht’. Nu zou het nog niet makkelijk zijn maar misschien zouden we meer gereedschap in handen hebben om hem te helpen ermee om te gaan. We zagen alleen een geestelijke kant, hij moest meer vertrouwen hebben in God. De psychologische kant werd niet benoemd, bestond niet.
Vooral mijn moeder heeft het er zwaar mee gehad. Mijn vaders gezondheid kreeg te lijden onder de permanente stress van boosheid, frustratie en verdriet. Zijn maag speelde op, hij rookte veel en ontwikkelde longemfyseem, hij had een zwakke rug, die hem, ook door de stress, steeds meer parten speelde… Hij sliep slecht en was prikkelbaar.
Het waren donkere jaren voor hun beiden.

Betere jaren

Op den duur ging het wat beter. Mijn vader hield ervan met zijn handen te werken, dus hij was veel en vaak en lang in de tuin te vinden, wat hem goed deed. Zelfs met hout is hij aan de gang gegaan. Hij heeft een aantal boekenkasten voor de familie getimmerd die een eeuwigheid zullen meegaan; en een kastje voor aan de muur in de babykamer bij de geboorte van onze zoon. Het hangt nu bij een van zijn kinderen. Zo hervond mijn vader zichzelf weer wat. Zijn gezondheid bleef precair. Hij overleed relatief jong, net na zijn verjaardag op 12 november, op 71 jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Een kort ziekbed, gelukkig! Ik mocht erbij zijn toen hij stierf, hoewel ik in die tijd in Zuid-Korea woonde. Op tijd gewaarschuwd heb ik de laatste weken van zijn leven nog mee mogen maken, samen met onze jongste, die aan zijn sterfbed nog haar eigen versie (ze was drie en sprak nauwelijks Nederlands) van God heb ik lief heeft gezongen.

Mijn vader was een gelovige man. Hij zong altijd uit volle borst in de kerk en zette, tot onze grote ergernis in die tijd, op zondag orgel- en koormuziek op. En ging dan meezingen. Kwamen we net uit de kerk, moesten we wéér luisteren naar kerkmuziek. Voor ons als tieners teveel van het goede. Ons gemopper zorgde er dan voor dat hij de plaat maar weer uitzette. Ik schaam me daar nu voor…arme Pa…Zingen was voor hem de manier om zijn geloof te uiten. God was goed, ondanks alle onrecht dat hem was aangedaan.
Op zijn begrafenis hebben we psalm 90 gezongen.

Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven

en laat uw glans hun kinderen omgeven.

Zie op ons neer met vriendelijke ogen.

O God, bescherm ons in ons onvermogen.

Bevestig wat de hand heeft opgevat,

het werk van onze hand, bevestig dat.

Droom en compassie

64-compassie.jpg (441×214)

Een droom

Opeens was ze er weer. Niet al 25 jaar dood, maar weer springlevend. In mijn droom. Zoals ze was: 45 jaar, ouder dan ik, mijn grote zus. Dromen halen rare trucjes met je uit. Ik was weer jong, jongere zus, jongste zusje. Dat ben ik ook in werkelijkheid (jongste van vijf) maar de gevoelens die daar nu bijhoren zijn anders dan vroeger. In de droom was het er weer. Het onmachtige ‘zij weten alles beter’ gevoel. Maar minder wrang en meer doordrongen van wat ik als kind niet wist, namelijk dat mijn grote zus, met haar grote, scherpe mond zo kwetsbaar was. Wat me als kind beangstigde, omdat ik vaak geen weerwoord had, was in de droom meer een gevoel van acceptatie en compassie. Gevoelens die niet passen bij een kind. Dit was de magische werkelijkheid van de droomwereld, waarin alle ervaringen zich mengen en vervlechten.

Mijn moeder

Loes, mijn oudste zus is gestorven door zelfdoding. Ik heb daar eerder op dit blog al over geschreven. Een zeer traumatische gebeurtenis voor de familie. Met name natuurlijk voor mijn moeder. Die zich slecht kon uiten en alleen kon huilen als ‘er niemand bij is’. Toen we haar het vreselijke bericht kwamen vertellen kon ze niets anders dan zeggen: Wat ben ik blij dat Pa dit niet meer mee hoeft te maken. Ze vroeg ons ook om maar weg te gaan. Alleen kon ze het beter verwerken.
Naarmate ik ouder word en mijn eigen kinderen allang volwassen zijn(en zelfs al kleinkinderen heb die naar de middelbare school gaan)  dringt de tragiek van de gebeurtenis steeds meer tot me door. Loes haar eigen leven, maar zeker ook wat het voor mijn moeder betekend moet hebben. Zowel mijn vader als mijn moeder hebben veel voor hun dochter gedaan, veel met haar opgetrokken. Op hun eigen, soms onhandige manier (ouders eigen!), intens van haar gehouden. En dan haar zo te moeten verliezen is met recht smartelijk, om een ouderwets maar prachtig woord te gebruiken.
Omdat mijn moeder niet kon praten over haar verdriet, verdween Loes tot op zekere hoogte uit de gesprekken en het familiebewustzijn. Ik verviel zelfs in een zekere kribbigheid wanneer mijn moeder bij een verjaardag soms met een somber gezegd zoiets zei als, ‘maar er mist er wel een…’ ‘Maar wíj zijn er toch allemaal!’,  dacht ik dan, als een egoïstisch, verwend kind dat alle aandacht voor zichzelf wil. Dat bevreemdde me dan zelf ook wel, dat je zelfs als volwassen vrouw zo bleef streven voor die unieke aandacht van je moeder.

Obsessieve aandacht

Mijn moeder sprak ook zelden over mijn vader, wat ik haar enigszins kwalijk nam. Waarom miste ze hem niet méér? Ik begrijp dat nu beter. De band met je kinderen is fysiek, die bloedband en als die voortijdig afgesneden wordt blijft dat trekken en pijn doen. Zeker als de band zo wreed verscheurd wordt als bij een zelfdoding. Ik had zelf ook kinderen, maar ze waren jong. Dat maakte het toch anders wat betreft inleving.
Toen mijn moeder dementeerde kwam al het verborgen verdriet eruit in een obsessieve aandacht voor alles wat met mijn gestorven zus te maken had. Foto’s van haar waarvan ze vertelde hoe ze die iedere avond voor het slapen gaan streelde, haar naam fluisterde en dan moest huilen. Oude schoolrapporten, diploma’s, ieder papiertje van vroeger, inclusief de inentingsboekjes, lagen in een kistje onder haar stoel en werden bij ieder bezoek van een van ons tevoorschijn gehaald. ‘Kijk eens wat ik gevonden heb?’, kondigde ze dan aan. Ik heb daar eerder over geschreven. Ik haatte dat kistje.

In mijn droom  is mijn zus vrolijk aanwezig. Het verdriet voorbij lijkt het, terwijl ik haar scherpe tong verdraag omdat die een zachte, zeer gevoelige binnenkant beschermen moet. De smart en de somberheid van mijn moeder zou ik graag eens in een droom willen tegenkomen met meer zachtheid, begrip en compassie, zoals ik die nu voel. Vergeef me Mam, voor alle kribbigheid en ongeduld.

19 oktober, vakantie en een verjaardag

Co van Katwijk, 19/10/1997
Co van Katwijk, 19/10/1997

Herfstvakanties ontgaan me nooit. Al twee decennia geen kinderen meer thuis, laat staan op school en toch weet ik feilloos wanneer de herfstvakantie is. De 19e oktober, de verjaardag van mijn moeder tot 2006, haar sterfjaar, valt er altijd in. Je moeder jarig en vakantie, wat wil je als kind nog meer? Verjaardagen werden thuis altijd gevierd en zeker voor die tijd, uitbundig.

Uiteraard met cadeautjes, al kan ik me niet een van mijn eigen cadeau’s herinneren. Mijn moeder had later wel prullaria staan waarvan ik dan zei, gooi toch weg, maar ieder ding had een speciale herinnering. Gekregen van die en die, waarbij dan een naam van een broer of zus voorbij kwam. Bijzonder dierbaar waren prullen die voor een eerst verdiende vakantiegeld gekocht werden. Ik was als jongste wellicht wat zuunig, want er stond nooit iets van mij bij…

Voor haar verjaardag was mijn moeder dagen van tevoren al boodschappen aan het slepen. Zware tassen aan haar stuur, maar geen fietstassen want dat stond ordinair. Mijn moeder was zich van haar stand bewust. Dat het een hoop gesjouw scheelde mocht niet baten. Liever driemaal op en neer.

Mijn vader zorgde voor de sterke drank. Specialiteit van het huis, want mijn vader handelde in jenever en aanverwante dranken (citroenjenever, bessenjenever, oude jenever, jonge jenever en wat er verder nog meer gebrouwen werd). Ook voor de sherry en de advocaat werd gezorgd. Wijn werd niet gedronken. Tenzij het de mierzoete Spaanse variant was. Maar advocaat was verreweg de meest populaire damesdrank. En boerenjongens, rozijnen ingemaakt in brandewijn. Pittige rozijnen werden dat! Een tante dronk jonge jenever. Dat viel wel op. Met haar sigaret zonder filter, borreltje en doorrookte stem was ze een aparte tante. Maar wel lief!

Terug naar de dagen van voorbereiding. Ik maakte die met gespannen verwachting mee. Met de boodschappen eenmaal in huis, uitgestald in de kelder als een waar luilekkerland, begon de rest: Cakes bakken in het losse oventje dat uit de schuur werd gehaald, op het aanrecht geplaatst en met een slang werd aangesloten op het gas. Mijn moeder maakte heerlijke, goudgele cake. De geur alleen al!

In het primitieve jaren vijftig keukentje ging ondertussen de rest van het werk ook door. Naast de verjaardagsdrukte, moest er gezorgd worden voor het gezin met vijf kinderen. Gekookt, gewassen, afgewassen en het huis netjes en schoon gehouden…wat een eindeloze dagen moeten dat geweest zijn. Mijn moeder was geen enorme poetser, maar alles moest voor het oog in elk geval netjes en schoon zijn. Zeker als er een stoet mensen op bezoek kwam!

Later vertelde ze me wel dat ze op dat soort dagen valium slikte omdat ze stijf stond van de spanning. Eigenlijk was het allemaal veel te veel. Kwestbaar als ze was, kon ze die drukte in feite niet aan. Maar het hoorde zo. Verjaardagen vier je. Punt. De familie moest langskomen. En daar dacht je ook niet over na.

Ik had dat natuurlijk allemaal niet door als kind. Ik kon niet wachten tot de ooms en tantes kwamen en het huis bruiste van hun aanwezigheid. Vooral mijn moeders broers en zussen waren geliefd bij ons als kinderen. Ze hadden een groot gevoel voor humor en vertelden altijd de gekste verhalen. Het gillende gelach van mijn tantes kan ik nog horen!

Mijn vaders broers en zussen waren heel verschillend. Je had de ‘stillen’, die niets zeiden en wat humeurig leken. En je had de lolbroeken die van een borreltje en een geintje hielden, zoals mijn vader en twee van zijn broers. Maar de humor was meestal niet naar mijn moeders smaak, dat voelde ik als kind wel aan…Henk!, zei ze dan, op zachte toon.

Ik herinner me de verjaardagen als geluksmomenten in mijn jeugd. Ik was een wat tobberig en angstig kind (leefde heel erg verbonden met mijn onzekere, sociaal angstige moeder), maar de avonden dat ik boven in bed lag, luisterend naar het geroezemoes en gelach beneden, voelde ik me warm en veilig.

Verjaardagen en vakantie…een perfecte combo!

De ‘vacantietijd’

paenkinderen1954
vader met vier van de kinderen, vóór mijn verschijnen…

Hielp mijn vader tijdens vakanties in het huishouden? Ik moest er vanmorgen opeens diep over nadenken, na het lezen van ‘Uit de hoofdredactie’ in het Nederlands Dagblad. Hoofdredacteur Sjirk Kuiper citeert een editie van 3 juli 1965, waarin de toenmalige hoofdredacteur, in verband met de ‘vacantietijd’, de oudere kinderen oproept hun moeder wat te helpen tijdens de weken in een ‘zomerhuisje of tent’.
‘Vacantietijd’…voor velen een tijd van ontspanning – ‘maar niet voor de huisvrouwen, in het bijzonder de moeders van opgroeiende kinderen’ – ‘tenzij de kinderen al zo groot zijn dat ze meehelpen om het ook voor moeder eens wat gemakkelijker te maken.’ Sjirk Kuiper wijst erop dat hier de vaders buiten beeld blijven, alsof die niet ook mee zouden kunnen helpen. ‘Ook vaders zijn verantwoordelijk voor de rust van moeder.’

Dat zette me aan het denken. Ik deel een paar van de gedachtes:

1. Ik voerde, volgens mij, geen barst uit; tot ik op mezelf ging wonen rond mijn 17e (ja, jong!)

2. Hoe zat dat nou met mijn vader? Die hielp wel, maar wat deed hij dan eigenlijk?

De eerste vakanties die ik me herinner zijn vakanties op de Veluwe, waar we in een, wat we nu een krot zouden noemen, drie weken verbleven. In Garderen. Ik vond het er heerlijk. Het rook er verrukkelijk naar bos, heide en zandpaden. Als watermens zijn mijn scherpste herinneringen die van het Uddelermeer. De aardachtig, donkere geur van het natuurmeer is in mijn geurgeheugen gegrifd. En dan: Zwemmen, altijd een feest!

Zo’n dagje Uddelermeer ging natuurlijk niet vanzelf. We fietsten, met handdoeken en badkleding achterop. We aten gesmeerde en belegde boterhammen, dronken ranja, , waarschijnlijk koekjes, snoepjes. En we waren met zeven á acht personen. Zus Loes had al vroeg verkering.

Ik heb in het verleden ook dat soort stranddagen voorbereid voor eigen gezin van zes personen. Het was een klus. De hele dag is er proviand nodig. Maar…

…Wij smeerden sandwiches, dat wel, maar vulden het meestal aan met een patatje. We kochten pakjes drinken (dit is vóór mijn ecologisch bewustzijn ontwaakte), we smeten alles in de stationwagen en reden naar de kust en na thuiskomst stonden de wasmachine en droger geduldig te wachten op hun lading.

De handdoeken die we aan het Uddelermeer gebruikten, moeten modderig geworden zijn na een dag zwemmen en drogen. Maar in het krotje stond bij thuiskomst geen wasmachine. Ook niet voor de stapels ondergoed, sokken, en kleding van zeven of acht mensen. Ik kan me wel de emmertjes herinneren die mijn moeder gebruikte, maar pas later realiseerde ik me, hóeveel was erdoorheen ging. We gebruikten ongetwijfeld minder vaak verschoningen dan nu, maar zowel vader als moeder waren erg schoon. We zullen echt niet een week met dezelfde modderige handdoeken gedaan hebben. Laat staan ondergoed en kleding. Dat moet toch keihard werken geweest zijn! Als kind heb ik dat zo nooit beleefd. Mijn moeder verstond de kunst om gezelligheid te creeeren en ze was geen klager. Ze had beter meer kunnen mopperen om zodoende meer hulp te genereren van al die mensen om haar heen, zowel van kinderen als echtgenoot. Mijn moeder was regelmatig overspannen, waaruit wel blijkt dat  het huishouden en gezin haar (te) zwaar vielen. Wij werden niet opgevoed om te helpen. Ze deed alles alleen. We waren dus als kinderen erg verwend.

Ik weet bijna zeker dat mijn vader hielp met de afwas. Ik zie hem de tafel afruimen, de vaat voorspoelen, zo grondig dat hij pas na een paar keer roepen terug naar de tafel kwam om te eindigen (met bijbellezen en gebed). Hij bracht mij soms naar bed en deed me ook in bad. Ik weet dat nog zo goed omdat het minder gezellig was dan wanneer moeder het deed.

Mijn vader deed alle karweitjes waar gereedschap bij nodig was, deed alle financieën, zorgde voor de auto en hij hield de tuin bij. Een vrij traditionele taakverdeling, denk ik, in die tijd. (Hoewel ik vrijwel naadloos in het patroon pas, behalve de tuin dan…) Koken heb ik mijn vader nooit zien doen.

Ik kom tot de conclusie na deze overpeinzingen dat mijn vader het zo slecht nog niet deed. Er was wel sprake van een taakverdeling, maar hij droeg zijn steentje bij. Ik weet van mijn moeder dat ze ondanks de ongemakken altijd zeer genoot van vakanties. Zo hebben mijn beide ouders me kostbare herinneringen bezorgd: zonnige zomers (nou ja, de regen ben ik vergeten, hoor), weg uit de stad, water, bergen, bossen en meren. Extra lekkere dingen en aan het einde: potverteren (het ‘overgebleven’ vakantiegeld opmaken in een cafetaria waar we patat en kroketten aten, heaven on earth!)

meer vakantieherinneringen, of hier over mijn vader

Bloggen is leuk maar soms even niet

don_t-be-a-slave-to-writer_s-blockJa, dan zit je daar opeens weer met een ‘schrijversblok’. Dat overheersende gevoel van ‘alles is al gezegd, wat heb ik er nog aan toe te voegen?’ Als ik eerlijk ben is dat is natuurlijk waar. Niets van wat ik schrijf is super origineel of uniek, het is simpel mijn kijk op dingen, een verhaal over mijn ervaringen. En blijkbaar geef ik bij tijden weer wat anderen voelen of denken, of in ieder geval is mijn weergave interessant genoeg voor een groepje mensen om te lezen. En dat is leuk. En geeft voldoening. Ook al is het soms moeilijk te bedenken waar ik over schrijven wil.

In feite is het bedenken van een onderwerp niet zo moeilijk, maar mijn eigen meetlat ligt soms zo hoog dat ik halverwege het schrijven van een blog ermee ophoud..schrijven is best zwaar. Opnieuw beginnen, schrappen, inkorten, uitbreiden. En soms denk ik, toedeloe, ik ga lekker een detective kijken.

Maar na een inspirerend artikel (€0,95) over bloggen in mijn lijfblad, het Nederlands Dagblad (sommige bloggers schoppen het zelfs zo ver dat ze er hun brood mee verdienen!), voelde ik de vonk weer. Mijn boterham ermee verdienen gaat niet lukken, maar de voldoening van het schrijven is ook een soort loon. Waarom ik er niet aan kan verdienen ligt aan het volgende: om euro’s  te verdienen aan je blog bestaan er  volgens het artikel twee voorwaarden: 1. iedere dag bloggen en 2. focussen op iets wat jou onderscheidt.

En dat focussen, lezers, is mijn probleem.  Ik kan namelijk niet focussen. Daarom is er nog geen meesterwerk verschenen van mijn hand. linus-and-snoopy3Daarom staat ons huis vol met spullen uit alle tijdperken en periodes; en liggen er minstens 4 boeken op een stapeltje waar ik mee bezig ben.  Naast mijn bed en ook beneden. Ik neem me vaak voor hier wat orde in aan te brengen, maar ik zit blijkbaar zo in elkaar. Van veel een beetje. Van weinig alles.

Mijn hoofdinteresses zijn geschiedenis, en kunst in alle vormen en uitingen. Dat zie ik wel terugkomen in de derivaten die mijn bestaan vullen. Genealogie, en vooral de sociale geschiedenis van mijn familie, het verzamelen van oude spullen, vanwege de historie, de boeken die ik lees, de films die ik bekijk. Mijn hart gaat sneller kloppen zo gauw er oude en andere tijden aan te pas komen!

Mijn statistieken laten zien dat de persoonlijke verhalen het hoogst scoren. Familiegeschiedenis, de blogs over de laatste maanden van mijn moeders leven, de blogs over mijn worsteling met depressies. Ook reisverslagen doen het goed. Ook die zijn redelijk persoonlijk, geen tripadvisor blogs.

Dat is denk ik voor mij de beste focus: persoonlijk schrijven over wat ik lees, zie en meemaak: de mooie en de lelijke, de grote en de kleine dingen, in deze tijden of andere tijden.

Wat vinden jullie als volgers van mijn blog?

 

 

Het houten kistje

Mijn moeder bezat een houten kistje. Het kwam uit haar familie, een mooi, klein, bewerkt naaikistje. Het was al een eeuw oud, gemaakt door een voorvader voor zijn verloofde, ik geloof mijn betovergrootmoeder. Op de voorkant was ruimte voor een miniscuul fotootje van de geliefde, en mooie, donkerharige vrouw.

Het was niet zomaar een simpel doosje, rechthoekig, gemaakt van vurenhout of zo. Nee, het was van mahonie en ingelegd met een lichter soort hout, met rondingen en welvingen. Een heel vrouwelijk, sierlijk kistje. Thuis stond het altijd bovenop de antieke kast, die mijn ouders koesterden. Die kast kwam uit de schoonfamilie van één van mijn zussen, maar was permanent uitgeleend aan mijn ouders door haar.

Die kast is tot de één na laatste woning van mijn moeder meeverhuisd. In het verpleeghuis, waar ze uiteindelijk terecht kwam vanwege dementie, was er geen plek meer voor. Het kistje heeft haar wel tot het laatst vergezeld. Op een gegeven moment verhuisde het van bovenop de kast naar een (oneerbiedig) plekje half onder haar stoel. Het diende nu een doel. Het werd weer gebruikt, zoals het wellicht ooit dagelijks was gebruikt door mijn overgrootmoeder.

Maar er zaten geen naaispulletjes in. Het kistje raakte gevuld met kostbaarheden. In mijn moeders ogen althans. Oude brieven, oude kaarten, oude rapporten, oude diploma’s, oude foto’s. Het overgrote deel kwam uit de nalatenschap van mijn zus Loes, die gestorven was in 1992. Mijn moeder was 75 jaar toen mijn zus zichzelf van het leven benam, na jaren van psychisch leed.

Sinds die tijd verzamelde mijn moeder van alles en nog wat in dat kistje dat haar aan Loes herinnerde. Zoals ooit de moeder van Mozes een biezen mandje maakte om haar kind te redden, zo gebruikte mijn moeder dat kistje om haar kind vast te houden. Bij ieder bezoek dat ik aan haar bracht reikte ze na een tijdje naar de grond en kwam het kistje op haar schoot te staan. De scharnieren waren al kapot, het deksel zat er nog maar half op, zo puilde het uit. Geen wonder. Werkelijk alles zat erin. Zwemdiploma’s uit de vijftiger jaren. Schoolrapporten van het gymnasium. De bul van de universiteit. (‘Wat was ze knap, hè? Cum Laude!’) Oude schoolfoto’s, oude kinderfoto’s, oude pasfoto’s. Foto’s van haar klas toen ze lerares was, sinterklaasgedichten uit lang vervlogen tijden, programma’s van concerten waar ze samen geweest waren. En bij ieder bezoek moest ik het allemaal bekijken en bewonderen. Keer op keer. Alsof het voor het eerste was.

Dat ging me niet altijd makkelijk af. Mijn zus was dood en ik zat springlevend bij mijn moeder in de kamer. Maar al haar aandacht ging op aan de herinnering. En alle energie aan het verdriet om haar sterven. Ik kreeg een hekel aan dat kistje. Hoe mooi het ook was en hoe dierbaar voor mijn moeder.

Ik realiseerde me dat het een heel oud kind gevoel was dat naar boven kwam. Als jongste in een groot gezin ervaar je vaak dat de meeste aandacht van je ouders uitgaat naar de sores en besognes van oudere broers en zussen. Jouw taak is het om lief te zijn en vooral niet nog meer problemen in het leven van je ouders te brengen. Zo heb ik tenminste mijn kindertijd ervaren.

Dus toen ik als vrouw van middelbare leeftijd in de kamer bij mijn moeder zat en weer moest  luisteren naar haar verdriet over mijn oudere zus kreeg soms sterk de neiging dat kistje over het balkon te smijten. Ik zit hier nu toch? Wees nou blij met mij!

Ach, nu, jaren verder, schaam ik me er wel voor, dat zo gevoeld te hebben bij een dementerende, oude vrouw. Dat kistje bevatte alle verlies voor haar, van haar geliefden. Man, jonge schoonzoons en dochter. Bij leven had ze daar nooit echt om kunnen rouwen, niet kunnen delen in elk geval. Daarvoor was ze te geremd en gesloten. Dat kwam pas toen de maskers afvielen door de dementie. Het was aan ons, de achtergebleven kinderen om dat nu op te vangen. Ik hoop dat we haar tot troost geweest zijn, ondanks alles.

Het houten kistje staat bij één van mijn broers nu, geloof ik.

Het ‘schone’ virus en nostalgie

Ik lijd aan een milde vorm van smetvrees. Voordat iedereen schrikt zal ik het wat positiever formuleren: ik heb een grote behoefte aan een schone omgeving. Ik had een schone moeder. Niet dat ze 24/7 aan het poetsen was, maar ze was wel schoon. Ze had een routine die ze tot op hoge leeftijd volgde: ’s ochtends ‘werken’, vervolgens de middagboterham, dan een korte dut. Daarna boodschappen doen en dán (pas nadat de kinderen de deur uit waren)  een uurtje ontspanning. In haar geval, lezen of oer-moeilijke cryptogrammen oplossen. Toen we allemaal nog thuis woonden kwam de ontspanning pas na negen uur. Na het sokken stoppen en elastiek rijgen in de ontelbare onderbroeken.

In mijn kinderjaren kwam op vrijdag altijd de onovertroffen werkster, juffrouw Boenders. (Ja, zo heette ze echt). Ze was overigens getrouwd met meneer Boenders, dus het ‘juffrouw’ was nog een laatste verwijzing naar de Nederlandse standenmaatschappij, waarin ‘lagere’ klassen zich geen mevrouw lieten noemen, denk ik. Juffrouw Boenders was een klein, gerimpeld, hardwerkend vrouwtje. Ze had zelf geen kinderen en ze was gek op mij. Ik was nog thuis (3 jaar) toen ze bij mijn moeder kwam werken en ik heb veel herinneringen aan haar en de uren die ze werkend doorbracht.

De geur van meubelwas en koperpoets (mijn moeder hield van koper), de koude tocht omdat alles open moest, de fascinerende bewegingen van het uitslaan van een stofdoek of een zeem (iedere week de ramen zemen!). Het holle geluid van de mattenklopper op tapijt dat werd uitgeklopt. En ik raakte  besmet door het voldane gevoel dat moeder en juffrouw Boenders uitwasemden als alles weer op z’n plek stond. Schoon, glimmend en stofvrij.

Mijn moeder hield zelfs, tot op enkele jaren voor haar sterven, de gewoonte vol om ’s ochtends ‘werkkleding’ te dragen. Daarin kon ze niet naar buiten eigenlijk, vond ze. En er bezoek in ontvangen kon helemaal niet. Als ik haar wel eens verraste was dat meestal het eerste wat ze uitriep: Maar ik loop nog in mijn werkkleding! Ik zag slechts een keurig geklede oude dame, maar voor haar gevoel liep ze er ‘onverzorgd’ bij.

Een schone, nette, gedisciplineerde moeder dus. Voor wie gezelligheid overigens heel belangrijk was. Poetsen deed ze als we weg waren op school. Als we thuis waren was het ´klaar´. Zogenaamd, want met vijf kinderen was er constant werk aan de winkel.

Naast deze schone moeder was ik ook nog eens belast met een hele schone vader, die ook nog eens uiterst opgeruimd was. Overal keurige stapeltjes, gesorteerd en wel. Uiterst schoon op zichzelf. Ik zie hem nog altijd na z’n middag- of ´na-het-eten´-dut, uitgebreid zich wassend bij de wasbak. Of de vaat spoelend, zo grondig dat afwassen in mijn ogen bijna overbodig leek. En in de tuin hadden vallende herfstblaadjes geen schijn van kans. Desnoods met stoffer en blik werden ze onverbiddelijk verwijderd van het gras. Mijn vader hield van opgeruimd en netjes. Ik ben dus van beide kanten besmet.

Nu is het probleem dat ik wel graag wíl dat mijn omgeving schoon is, maar dat ik geen zin heb in de inspanningen die het vergt om zover te komen. Ik ben namelijk ook enigszins lui in aanleg. Mijn moeder vroeg zich altijd af van wie ik dat toch had. Het rommelige en vooral het knoeien en wild rond ´spatten en sproeien´ met koken. ‘Bourgondisch’ vond ze dat. En het leek wel een beetje op mijn oma Sonneveld, die ook graag kookte en wat minder netjes was. (Alle mindere kwaliteiten kwamen van de Sonneveld kant van de familie, als ik mijn moeder moest geloven, haha)

Hoe dan ook, er bestaat dus een waar spanningsveld in mijn leven tussen schoon willen zijn, maar geen zin hebben in poetsen.

Al mijn hele leven zoek ik naar slimme, weinig inspanning vereisende oplossingen. (jammer dat de kinderen de deur uit zijn) maar als puntje bij paaltje komt is er geen ontkomen aan: emmers, soppen en zweten.

Ik heb het dan vooral over WC’s en badkamers (haren in het putje!), gevolgd door keukens en vloeren. Ik hoop altijd dat één keer goed zuigen en soppen afdoende is, maar de ellende is dat het nooit ophoudt. Voordat je het weet is er al weer (ruim) een week voorbij en heb ik niks gedaan in mijn huis. Ik zie de bacteriën zweven, verbeeld me dat ik ziek word, alles plakt en de stofpluizen en poezenharen vliegen me om de oren. Er móet weer iets gebeuren, dat is duidelijk, maar heeft het werkelijk zin? Haalt mijn sopdoek de bacteriën echt weg of is het maar een illusie?

Zuchtend haal ik de emmers maar weer tevoorschijn. In mijn werkkleding. En in tegenstelling tot ooit mijn moeder, kan ik daar echt niemand in ontvangen.

Eindelijk lente

Wat was het warm vandaag..!! ik liep bijna al te klagen dat het te plotseling te warm was! Ik vind het altijd zo lastig omschakelen van winterkleding naar, ja wat? Zomerkleding is te koel nog en ik voel me dan ook vreselijk bloot en wit. Tussenbeide-kleding moet ik elk jaar weer ter plekke bedenken. T-shirt met vestje, 2 t-shirts, t-shirt met jasje enz. Laat ik nu veel moeite hebben leuke t-shirts te vinden…Ik ben geen 20 meer en heb ook geen maatje 38 meer (helaas) en niets is onthullender dan een t-shirt…de extra winterkilo’s nestelen zich bij mij het liefst aan de voorkant rond maag en buik. Meedogenloos zichtbaar bij lichte, frivole zomer-shirtjes. Ach ja, het went wel weer. En wie weet lukt het om er de komende maanden wat kilootjes af te krijgen.

Met moeders een eindje wezen kuieren in de rolstoel. Helaas bleken de banden superzacht, waar ik pas achter kwam toen we goed en wel buiten waren. We zijn het bruggetje over gestoken bij de St.Liduinastraat, van de Nieuwe Haven naar de Westvest (in Schiedam) en zo waar zei ze onmiddelijk: dit is het Kippenbruggetje. (zie mijn blog van 14 maart: Roots in Schiedam) De Nederlands Gereformeerde kerk waar we langs liepen herkende ze niet. Bij de naam ds. Vonk, jarenlang de geliefde predikant van mijn ouders, gaf ze wel blijk van herinnering. Terwijl we wandelden viel me ook op dat ze wat helderder werd. In het huis tijdens de koffie was ze huilerig en angstig en kwam niet uit haar woorden. Buiten ging het beter. Of ik wel gegeten had, of het niet te zwaar duwen was. Even was ze er weer. Je bent lief, zei ze opeens en dat ontroerde me.

Hier ben ik weer

Trouwe lezers van m’n blog hebben me al een paar keer gevraagd waar ik gebleven ben. Is het eerste enthousiasme verdwenen en gaat de blog als een nachtkaarsje uit?

Neen. Dat is niet het geval. Wat wel het geval is, is dat m’n levensstijl is veranderd doordat ik minder tijd alleen doorbreng. Echtgenoot Kim is altijd veel weg en het maakt dus weinig uit of ik achter m’n pc’tje zit of beneden op de bank. Maar nu een van m’n dochters weer een poosje thuis woont heb ik opeens weer gezelschap. Ik ben teveel sociaal dier om dan ’s avonds de deur achter me dicht te trekken en te gaan schrijven. Een laptop zou een uitkomst zijn!

Vandaar de tijdelijke stilte.

Is er inmiddels wel wat te melden? Waar zal ik beginnen..? Met moeders gaat het momenteel redelijk goed. De dementie staat natuurlijk niet stil. Ik vind bijvoorbeeld haar stem zo anders geworden. Vlak en hard en zwaarder dan ik me ooit herinneren kan. Toch herkent ze ons nog steeds! Ze heeft een moeilijke periode achter de rug. Na het ziekenhuis ging het een week goed, maar toen begonnen de hallucinaties weer. Overal zag ze mannen die haar bedreigden, in haar bed wilden, achter haar aan zaten. Ze was agressief, sloeg zelfs personeel, maar alles in angst. De arts heeft haar weer anti-psychotica gegeven, Haldol, die in het ziekenhuis was afgebouwd. Dit, in combinatie met kalmeringsmiddelen en anti-depressiva, slaat gelukkig aan. Ze is rustiger, lacht soms weer en praat helder. De nachten blijven een probleem. Ze kan het bed niet meer uit door het hek wat ervoor zit maar ze vinden haar eigenlijk altijd wakker ’s nachts. Het slapen blijft onrustig.
Van een vriendin hoorde ik dat haar schoonmoeder exact dezelfde wanen had: overal mannen. Wat is dat toch vreemd. Ik vraag me af of dat nu met het verleden te maken heeft of dat dit gewoon een ziektebeeld is wat bij de Alzheimer hoort?

Ik vind het overigens erg gezellig dat dochter Saskia weer thuis woont. We kunnen het prima met elkaar vinden en als we niet oppassen zijn we alleen maar leuke dingen aan het doen: naar het strand en een kopje koffie, naar de Kringloop en een kopje koffie, van elke boodschap hebben we de neiging een uitje te maken! Verder helpt ze mijn immens grote huis een beetje op orde houden, is ze mijn persoonlijk adviseur op het gebied van mode en stijl.  Ze ordent af en toe mijn stapels chaos. Ik kan me nu voorstellen dat men vroeger gewoon een dochter thuis hield. Niks eigen leven, niks trouwen, vader en moeder hebben hulp nodig thuis!

M’n werk is hectisch en druk door de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen. Wel leuk om er zo direct bij betrokken te zijn. Niet dat ik zelf de straat op ga of zo, maar ik ben betrokken bij de planning en organisatie. we hebben nu eindelijk ook een betere website met een campagnepagina. Ook de lay-out van de rest van de site is veel beter.

 

weer een beetje tijd voor bloggen

December moet wel de drukste maand aller tijden geweest zijn voor me. Ik heb geloof ik meer dan 800 km gereden in de driehoek Den Haag-Utrecht-Amersfoort-Dordrecht. Nu vind ik autorijden niet heel erg, ware het niet dat ik er zo slaperig van wordt. Het viel me echter alleszins mee. Heb veel radio geluisterd wat altijd erg leerzaam is. Er wordt veel leuks gemaakt op de radio en het gaat dieper dan TV. Een uur lang documentaires uit allerlei landen in de wereld, wetenschapsprogramma’s met nieuwe ontdekkingen en feiten, interviews met mij onbekende mensen die toch veel zinnigs te zeggen hebben. Wat dat betreft dus winst, want thuis luister ik weinig.

Met moeder gaat het redelijk goed. Haar gezondheid is weer prima, beter dan het was in elk geval. Ze eet met smaak en lijkt ook minder neerslachtig. Alleen is haar gebit te groot geworden en dat is heel vervelend, want ik moet toch met haar naar de tandarts voor een nieuwe….Heel gedoe natuurlijk. Ik vraag me af of er speciale tandartsen voor demente mensen zijn? ’t Vraagt wel een bijzondere vorm van communiceren namelijk. Mijn moeder zegt overal ‘ja’ op, bijvoorbeeld. Vandaag was ze wel heel helder. Waar Kim was, vroeg ze en toen onverwacht m’n neef langskwam zei ze: dat is lang geleden! ik kreeg helemaal kippevel!

Op m’n werk is het druk en hectisch. De gemeenteraadsverkiezingen werpen hun schaduw vooruit, ook qua werkzaamheden. Van de fractie wordt veel verwacht in het uitvoeren van plannen die er zijn mbt de campagne en voor mij is alles de eerste keer. Ik heb dus regelmatig last van het ‘ hier ben ik te dom voor’ virus. Ik zou erg graag een gestroomlijnd secretariaat willen hebben maar ik ben bang dat dat er niet in zit…gestroomlijnd past niet in mijn profiel ben ik bang..

%d bloggers liken dit: