Vrouw van een dominee 7, Wat als?

Iedereen loopt wel eens rond met de vraag, wat als? Wat als dit of dat niet was gebeurd, wat als ik toen zus of zo had besloten. Niet altijd in negatieve zin bedoeld. Stel je voor dat ik bijna 40 jaar geleden niet had besloten naar l’Abri te gaan in Eck en Wiel voor een paar maanden, dan had ik nu niet Batteau als familienaam gevoerd. Ik zeg maar wat. Natuurlijk, ik hoop dat God  misschien wel iets anders bedacht

Geen enkele gebeurtenis is toeval, geloof ik. De goeie en de slechte krijgen allemaal hun plek in het kunstwerk dat God van ons wil maken. Nu zeg ik er wel direct bij dat ik dat kunstwerk niet altijd kan waarderen, zo ik er al zicht op mag hebben in het hier en nu. Het is grotendeels een kwestie van vertrouwen op wat God daarover zegt in de bijbel. Wij hopen op iets dat we nog niet zien, en we wachten daarop met volharding.(Romeinen 8)

Ik kom hierop, omdat ik mijn vorige blog eindigde met de vermelding van mijn zus Loes. Hoe haar leven een grote invloed had op het mijne tijdens de eerste jaren in de pastorie, na onze terugkeer in Nederland. Ik wilde me voor de volle 100% inzetten als gemeentelid, als vrouw van de dominee, maar het moeizame leven van mijn zus maakte dat het anders liep. Zij was een tweemaal gescheiden vrouw, 9 jaar ouder dan ik, met psychische problemen die door haarzelf niet genoeg onderkend werden. Inmiddels is het 25 jaar geleden en hoe ‘populair’ tot op zekere hoogte therapieën toen aan het worden waren, het taboe op psychisch ziek zijn was nog niet veel minder.

Mijn zus verkeerde in het alternatieve circuit waarin men niet over ziekte of kwalen wilde spreken, maar steeds bezig was om (uitsluitend) vanuit zogenaamde innerlijke kracht het pijnlijke in de ziel te overwinnen. Terugkijkend geloof ik dat zij aan een bipolaire stoornis leed, die zich steeds sterker manifesteerde, omdat de alternatieve ‘trainingen’ een averechts effect hadden. Ze versterkten het ongeremde in haar en na periodes van hoge adrenaline pieken, stortte ze in en kon dan dagen en weken alleen maar slapen en huilen.

Ik beschrijf het zo uitvoerig omdat ik een indruk wil geven van hoezeer het mij bezig hield. Ik heb in vorige blogs, o.a. Kabeljauw in Korea, verteld hoe Loes ruim een maand bij ons was in Korea tijdens een periode waarin ik in het ziekenhuis lag. Zij heeft toen voor me gezorgd (in Koreaanse ziekenhuizen verzorgt de familie de patiënt, uitgezonderd medische handelingen) en er was een sterke zussenband tussen ons gegroeid. Daarom viel ze later vaak op mij terug wanneer ze zich slecht voelde. En juist in die eerste periode in Nederland, waarin ik mijn weg moest zoeken in nieuwe levensomstandigheden, kwam dat op mijn pad.

Ik zag dat toen als een hinderlijke, storende factor. Het was zo belangrijk voor me om een goeie start te maken, om bezig te zijn met wat ik misschien wel zag als een roeping, dat ik een huilende, psychisch gekwelde zus helemaal niet gebruiken kon. Ik wilde het dus graag oplossen voor haar. Als zij zich beter voelde en het leven weer aan zou kunnen, kon ik eindelijk met het mijne verder. Ik had dan wel niet gestudeerd, maar ik ging carrière maken als domineesvrouw.

Hoe help je een zieke zus die geen hulp wil, geen medicijnen, geen therapie, geen arts?  Wat ik me vooral herinner uit die tijd was dat onbeschrijfelijke gevoel van machteloosheid. Het is erop uitgelopen dat mijn zus een einde aan haar leven heeft gemaakt. Ze zette een streep door haar eigen toekomst en indirect ook door al mijn grootse toekomstplannen. Als nabestaande van een familielid dat suïcide pleegt heb ik vooral dit ervaren: er loopt vanaf dat moment een scheur door de bodem van je bestaan. Tegelijk is het zo dat die scheur ervoor zorgde dat ik op den duur gedwongen werd te kijken naar de gesteldheid van de bodem die ik zo stevig achtte. Die was misschien wel brozer dan ik dacht.

Wat als Loes een andere zus was geweest? Zonder problemen en eerder een steun voor mij dan andersom? Zou alles anders gelopen zijn? Zou ik inmiddels bevorderd zijn tot engel? Want dat was immers waar ik naar streefde (besefte ik later), zo sterk te zijn dat ik er voor anderen helemaal zou kunnen zijn. De eerste symptomen van wat in vaktermen wel het Messiascomplex genoemd wordt.

Ook zonder de tragiek van Loes zou het tot een ‘scheur’ gekomen zijn hebben.

Vrouw van een dominee 2, 1988-2011- De eerste gemeente

Het rare van domineesvrouw ‘zijn’ is dat het eigenlijk niks is. Bakkersvrouwen werken alle eeuwen door in de bakkerswinkel en boerinnen in de stal of op het land, maar wat doet een domineesvrouw? Dat is in ieder tijdperk anders. Vroeger vergezelde zij haar man vooral op bezoeken, ze ging zelf de gemeente in om goed te doen en soep te brengen bij armen. Vaak was ze ook een van de weinigen met een opleiding en leidde Bijbelstudies en dergelijke. Maar die tijden waren zelfs in 1988 al lang voorbij.

Toen ik ‘begon’ als domineesvrouw was ik 33 jaar en ik had geen flauw idee wat er eigenlijk van mij verwacht werd. Ik had geen rolmodel want we waren lang weg geweest en nog niet zo lang voor ons vertrek lid geworden van de kerk waarin echtgenoot predikant was geworden. Als kind herinner ik me weinig van de rol van de vrouw van de predikanten van mijn ouders. Dus wie of wat was ik nu geworden? Ik was het vanuit Korea wel enigszins gewend om gezien te worden vanwege het beroep van mijn man. Ik werd tenslotte ‘weledele vrouw van de geleerde(saamoniem)’ genoemd. Maar verder dan dat ging het niet. Af en toe mocht ik mee naar een etentje

Als onbeschreven blad zou ik dus starten. Waar? Dat werd nog een hele klus voor we onze bestemming wisten. Vijf gemeentes nodigden ons uit om kennis te maken. Harderwijk, Dedemsvaart, Zaanstad, Rozenburg en Roden. In iedere gemeente werden we verwacht om een dag door te brengen. Kennismaken met de kerkenraad. Kennismaken met de stad/het dorp/de regio en ’s avonds kennismaken met de gemeente. Wat ik me nog heel scherp herinner is dat ik iedere keer halverwege de dag barstende koppijn had en darmkrampen. Ik kan het nu makkelijk plaatsen (te veel indrukken, spanning) maar ik werd er toen steeds door overvallen en verweet het mezelf.

Omdat het de eerste gemeente na de Korea-periode zou zijn mochten we in plaats van drie er zes weken over nadenken. Waar wilden we heen? Waar riep God? Dat laatste vond ik moeilijk. Alle vijf gemeenten waren zonder predikant en kwamen daarom in aanmerking voor mijn gevoel. Hoewel de kleinere gemeentes wat ons betrof het wel meer nodig hadden om iemand van buiten te hebben. We keken ook naar praktische zaken. Passen we in het huis met z’n zessen? Ik was nog jong genoeg om op eventuele gezinsuitbreiding te hopen. Kunnen we na jaren stad wennen op het platteland? Dat soort vragen.

Een andere belangrijke vraag was die van de school. Het is 1988 en kinderen van de kerk gaan allemaal, met een uitzondering daar gelaten, naar de eigen scholen in Rotterdam, Groningen, Amersfoort of Zwolle. Onze oudste is een VWO kind. We leggen Amerikaanse/Koreaanse maatstaven aan wat betreft afstanden reizen en vertrouwen op de vele ouders die zeggen dat ver reizen naar school geen enkel probleem is. De kinderen raken snel gewend en maken huiswerk (of lol)  in de trein. Ouders hebben er meer problemen mee, zegt men over het algemeen.

Dat geeft voor ons de doorslag om naar Noord-Holland te gaan. Een soort verzet tegen de gangbare trend dat men wegtrekt uit steden waar geen eigen onderwijs is om met duizenden op een kluitje rond de middelbare scholen te gaan zitten. Zo keken we er toen tegen aan. Heldhaftig. Later  heb ik daar spijt van gekregen. Niet voor mezelf. Ik hoefde niet iedere dag in de trein of bus. Maar spijt voor onze oudste die dat reizen wél moeilijk vond. Heldhaftig zijn ten koste van anderen is makkelijk..

Mijn eerste ervaringen als domineesvrouw begon ik dus op te doen in het Zaanse. De eerste pastorie die ik bewoonde was die aan de Schepenlaan.

Vrouw van een dominee 1 1988-2011 – Het Begin

De vraag komt regelmatig voorbij: hoe kijk je terug op je leven als vrouw van een dominee? Het leven in de pastorie, zoals het ook vaak genoemd wordt. Het leek me leuk er een serie blogs aan te wijden. Dat leven begint voor mij pas in 1988, nadat wij acht jaar in het buitenland gewoond hebben als gezin.

via Plazilla, Ragasto

In de afgelopen dagen hoorde ik het vaak op de radio: waar was je op de avond dat Nederland het EK voetbal won? Nou, ik weet het nog goed:Vers uit het buitenland, op een bovenetage, achter een joekel van een TV, in Bunschoten. Eindelijk konden we een Nederlandse voetbalwedstrijd volgen.

Het Begin
Het is mei 1988. Onze tijd in het buitenland zit erop. Vanuit het Aziatische Zuid-Korea verhuis ik met ons gezin in mei naar Nederland terug. We zijn ruim acht jaar weg geweest. In 1980 vertrokken we als studentengezinnetje met twee kleintjes (een dochter van drie jaar en een zoon van drie maanden) naar een onbekende bestemming in het Verre Oosten. Het enige dat we toen zeker wisten was dat mijn echtgenoot als docent zou gaan werken aan een theologische opleiding in Busan, de meest zuidelijke havenstad in Zuid-Korea, samen met een collega. De aanstaande collega was al een aantal jaren predikant en verlaat zijn gemeente in Leiden om samen met vrouw en kinderen naar dezelfde stad te vertrekken als wij. Hun kinderen waren nog jonger dan de onze. Twee jongens, één van twee jaar en één van tien maanden. We troffen elkaar in 1980, ergens in januari op het vliegveld in Tokio om van daaruit verder te vliegen naar Busan. En aan een avontuur te beginnen dat ons leven voor altijd zou veranderen.

Acht jaar later keren wij terug naar Nederland. Nu met vier kinderen. Onze oudste is twaalf en klaar voor de middelbare school. Er is, behalve een internaat, geen geschikte school voor haar in Zuid-Korea. Tijd om terug te gaan dus. De kinderen zijn respectievelijk twaalf, acht en vier jaar. En we hebben een meisje geadopteerd dat inmiddels elf is. Opnieuw is onze uiteindelijke bestemming onbekend. Er is een tijdelijk verblijf geregeld in Bunschoten-Spakenburg. Van daaruit zullen we werken aan een nieuwe invulling van ons leven. Het ligt voor de hand dat echtgenoot zich beroepbaar zal stellen als predikant. Maar de eerste maand is hij er nog niet.

Busan Photos

This photo of Busan is courtesy of TripAdvisor

Bunschoten-Spakenburg

Vanuit de miljoenenstad Busan zit ik dan opeens alleen, met de vier kinderen, op een etagewoning in Bunschoten, met onder ons de RABO bank. Met meubels, bedden, dekens, linnengoed en servies van de zolders van vriendelijke mensen. Nu allemaal tóp-vintage, toen lichtelijk deprimerend en ouderwets. Maar met wat plantjes, een paar prulletjes die ik in de koffer mee had kunnen nemen en een dosis humor, is het ook wel weer gezellig te maken. Echtgenoot moet in Busan examens afronden en zou half juni komen.

Het schoolseizoen is nog niet afgelopen. Dat is ook een van de redenen waarom we eerder zijn gekomen. De oudste wil wat wennen voordat ze in het diepe van de middelbare school springt. Uit een privéklasje van acht leerlingen overstappen naar een grote school als de Guido de Brès in Amersfoort is wel erg drastisch. Maar wennen als buitenlands kind in de hoogste klas van een basisschool, waarin de kinderen elkaar al vanaf de kleuterleeftijd kennen, is ook niet eenvoudig. We zien er anders uit (mode is zo landgebonden), onze kinderen spreken goed Nederlands, maar met een (Engels) accent dat de Bunschotense kinderen maar raar vinden (Kak!). (Ze hadden natuurlijk nooit hun eigen rare accent gehoord). Echt veilig voelt de oudste zich niet. Maar er is geen keus. Dit is de school, hier wonen we nu tijdelijk en vanaf hier begint het nieuwe leven.

We fietsen door de weilanden rondom Bunschoten en genieten. Fietsen was in Busan nauwelijks een optie. Geen fietspaden, chaotisch verkeer en veel te heuvelachtig. We kopen lekker patatjes-mèt op de markt, krijgen kilo’s haring, kijken het WK voetbal, genieten van series op televisie die we kunnen verstaan en volgen (maar niet A-team, we waren toch wat wereldvreemd geworden en ik vond het te gewelddadig..). De eerste weken overweegt het vakantiegevoel. Hoewel het tussen de middag heen en weer racen , om (vier!) kinderen van school te halen en weer terug te brengen na de lunch, mij al snel de keel uithangt. Vooral omdat de kleuterschool een half uur eerder uit is dan de groepen 4 t/m 8. Ik ben dat helemaal niet gewend en heb het gevoel dat mijn dag in honderd stukjes gesneden is. Wachten bij de schoolpoort waar niemand me aanspreekt vind ik ook een opgave.

Ondertussen moet er van alles geregeld. Er is geen wasmachine. Ik moet financiële regelingen aanpassen omdat we ons weer in Nederland vestigen (vergeet niet, dit is het pré-digitale tijdperk! Alles moet persoonlijk en/of schriftelijk gedaan worden. In november van 1988 sluit Nederland zich als tweede land aan op het internet. Alleen nog voor wetenschappers en militaire doeleinden). Verzekeringen moeten veranderd. De container met onze spullen arriveert en moet door de douane geloodst (= formulieren invullen), fietsen moeten aangeschaft, de kinderen willen weer op sport, op muziek (te laat in het seizoen, nieuw voor mij, in Zuid-Korea werkt het anders). Het vakantiegevoel wordt langzamerhand overstemd door een gevoel van vervreemding. Bij de Postbank (zo heette die toen nog) staan mensen een soort kaartje door een apparaatje te schuiven waarna ze een nummer intoetsen voor ze geld krijgen. Ik heb de ontwikkeling gemist en sta verlegen te hannesen. Terwijl ik in Busan precies mijn weg wist.

Ik ben niet terug in mijn eigen land. Ik ben (te)lang weg geweest en mijn land is veranderd. En ik ben zelf veranderd. Bij alles denk ik: in Korea deden we dat zus of zo…Eerst zeg ik dat nog hardop, maar de glazige blik in de ogen van de anderen maakt dat ik dat al snel inslik.

Dit is Nederland. En hier blijven we wonen.

%d bloggers liken dit: