En dan blijkt het toch niet je moeder te zijn

Al vrij snel na aankomst in Zuidkorea kreeg onze dochter daar alle hulp om een zoektocht naar haar biologische ouders te starten. Zie ook mijn vorige blog en die daarvoor

Twee televisiereportages, hulp bij het maken van flyers door Koroot, die ze zelf (met partner Mark)verspreidde in de stad waar ze oorspronkelijk door de politie gevonden werd bij het busstation daar. In de televisiebeelden zie ik haar daar lopen, op mensen afstappen en een folder geven. De mensen reageren wat aarzelend zoals iedereen die iets in zijn handen krijgt gedrukt, maar de camera en de foto’s op de flyer maken hen nieuwsgierig. Je ziet ze een stapeltje uit haar handen nemen en ze gaan zelf aan het uitdelen of opplakken. Men overlegt en kijkt.

Het veroorzaakt een moeilijk te definiëren emotie in me. Het ontroert me, het maakt mijn hart heel week en pijnlijk. En ik voel ook iets van boosheid en onmacht. Dat zou toch niet moeten kunnen bestaan, dat een dochter op die manier naar haar ouders moet zoeken. Het zou toch eerder andersom moeten! Daar loopt een prachtig mens, wie kan zo iemand verstoten hebben? Wat een schrijnende omstandigheden moeten er toch zijn vóór een moeder haar eigen kind achterlaat. En wat is het aangrijpend als dat kind dan zelf weer die daad ongedaan probeert te  maken. ‘Wat er ook gebeurd is, het geeft niet. Kom maar gewoon. Ik hou van jullie’, hoor ik onze dochter zeggen, vergevingsgezind als ze is. Het is heftig. Zegt ze ook zelf wanneer ik haar spreek: ‘Als ik een dag later op het bussation kom om een bus naar elders te nemen, zie ik mezelf daar hangen! Zo vervreemdend…’

En dan wordt er gebeld door het televisiestation: Iemand heeft zich gemeld. Een vrouw die haar dochtertje is kwijtgeraakt, ze was drie. De informatie is incompleet en vaag. We schrikken er allemaal wel van op. Zou het dan echt gelukt zijn? Via de WhatsApp worden we voortdurend op de hoogte gehouden en we leven mee alsof we er zelf bij zijn. Spoorloos live! We krijgen een foto van de vrouw en een van haar gezin. We menen gelijkenis te zien, maar houden onszelf voor dat wij Aziatische gezichten niet even goed kunnen ‘lezen’ als Europese/westerse gezichten…

Een echtpaar dat onze dochter helpt en een Nederlandse vriendin die al 30 jaar in Korea woont en al veel zoekers heeft bijgestaan, gaan op visite bij de vrouw. Stellen haar vele vragen en krijgen een verdrietig verhaal te horen. Deze vrouw nam haar kind mee naar het werk om het te beschermen tegen haar man die alcoholist was. Ze speelde in een ruimte terwijl de moeder aan het werk was. Op een gegeven moment is het naar buiten gegaan en nooit meer terug gevonden. Het verhaal is tragisch en was het maar de geschiedenis van onze dochter. Maar dit meisje kon goed lopen, en de jaartallen kloppen niet.

Toch besluit onze dochter deze vrouw te bezoeken,ook al weet ze dat het niet haar moeder kan zijn. En ze vindt daar toch een zekere troost in. Deze vrouw behandelt haar, tegen beter weten in, als haar verloren gewaande dochter. Vertroetelt haar en blijft maar zeggen ‘was je maar mijn dochter!’ Iets van het  verlies en het verlangen delen ze. En dat is een gedeelde smart.

 

 

 

 

Geadopteerd zijn is ook een werkwoord

De blogs over adoptie publiceer ik uitsluitend met instemming en na lezing ervan door mijn dochter! Zie ook mijn vorige blog Adoptie is een werkwoord en Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter is voor het eerst sinds 1988 terug in haar geboorteland.  In 1984, op haar zesde, kwam ze bij ons wonen. ‘Bij ons’ was: echtgenoot en ik en onze drie kinderen. Toen acht, vijf en anderhalf jaar oud. Wij woonden sinds 1980 in Pusan, Zuid Korea, in verband met het werk van echtgenoot. Na Sook-hi’s komst hebben we samen nog vier jaar in Korea gewoond.

Na terugkomst in Nederland is Korea altijd een rol blijven spelen in ons gezamenlijk familieleven. Gedeelde warme herinneringen aan de tochten in onze Bongobus (KIA), de vakanties aan zee in Kangnung, aan het eten, aan onze adzjoemoni (hulp) op wie we allemaal zeer suusinseoulgesteld waren. Die de allerlekkerste ramyun kon maken die we nergens meer zo gegeten hebben.

Voor onze dochter was Nederland een beter oord om te wonen. Door C(erebral) P(alsey) met moeite lopend, was het steile en vaak trottoirloze Pusan geen makkelijke woonplek. In Nederland was er onmiddellijk een team van specialisten die haar monitorden, er was wekelijkse fysiotherapie, ergotherapie, er kwam een aangepaste fiets, een rolstoel, een douchestoel, enzovoort. In Nederland werd je als mens met een handicap verzorgd (het waren betere tijden toen!) en gerespecteerd, in Korea werd je (ik schrijf de jaren tachtig van de vorige eeuw!) erom veracht, verstoten, te vondeling gelegd. Niet omdat de moeder haar eigen kind niet wilde, maar meestal omdat de schoonfamilie het gehandicapte kind niet accepteerde. De moeder had gefaald in haar plicht een gezonde, liefst mannelijke, nakomeling op de wereld te zetten.

Zo werden veel kinderen (gehandicapt of soms slechts omdat ze meisjes waren) op straat of in busstations achtergelaten. Op straat zag je ernstig gehandicapte mensen zich voortbewegen met de meest primitieve hulpmiddelen  en om aan de kost te komen, kranten verkopen of andersoortige zaken. Heel triest en tegelijk ook heel sterk. Ik had een enorme bewondering voor de strijdlust van deze mensen die zich toch maar staande wisten te houden!

Er is intussen veel veranderd. Volgens mijn goed ingelichte schoonzoon zijn de sportfaciliteiten voor gehandicapte sporters in Korea tegenwoordig bijvoorbeeld state of the art. Ook in de jaren tachtig werd onze dochter overigens goed opgevangen in het weeshuis annex revalidatiecentrum waar ze heen werd gebracht door hulpverleners. Mede door de Amerikaanse sponsoring was er gemiddeld betere zorg dan elders, denk ik.

Nu, na 32 jaar is dochter er voor het eerst terug dus. Onvervaard rijdend in haar rolstoel door megapool Seoul, en nu reizend met OV door het land. Maar eerst heeft ze een flyer gemaakt. Op een kantoor dat mensen zoals zij bijstaat in het zoeken naar familie.

Abandoned enz

Ze stuurde ons deze foto. Een poster die op het kantoor hangt van Koroot (spreek uit Ko-roet) een organisatie die geadopteerde Koreanen bijstaat in het zoeken naar familie en het mogelijk maakt voor hen om kennis te maken met de cultuur van hun geboorteland.

De poster sloeg in als een bom bij mij. Al die kinderen, afgestaan ter adoptie, of achtergelaten op straat; de nood, het verdriet van de biologische moeders, de problemen en leegte voor veel van de adoptiekinderen en daardoor ook voor hun adoptie-ouders. Zo’n poster brengt het allemaal in één klap samen. Door staccato, op alfabetische volgorde steekwoorden te noemen die waarschijnlijk verzameld zijn onder de geadopteerden zelf.

Als het leven ‘plaatsvindt’, van dag tot dag, met een druk gezin, met alle verplichtingen van school, sport, kerk en muziek en de dagen zich sneller aaneenrijgen dan je kunt bijhouden, wordt geadopteerd zijn in een bestaand gezin een gewoon feit. Je kunt daar ook niet voortdurend bij stilstaan.

Maar nu is het opeens weer dáár. Verlaten worden slaat een wond in iemands leven die misschien wel dichtgroeit, maar altijd een litteken achterlaat, dat schuurt en trekt. Onze dochter is geen klager. Dat heeft mij meerdere malen op het verkeerde pad gezet. Haar intense verdriet om de dood van haar cavia en andere huisdieren was een signaal wat, denk ik nu, duidde op een dieper verdriet waar ze niet bij kon.

Adopteren is hard werken en geadopteerd zijn ook. Zonder hulp van derden red je het nauwelijks. Maar dat is opvoeden natuurlijk ook. Kinderen in huis hebben, of ze nu geadopteerd zijn of niet, betekent confrontatie met jezelf. Al je eigenschappen worden op een nieuwe manier uitgedaagd, de goeie én de slechte. De goeie blijken soms minder geworteld dan je dacht en de slechte heb je minder onder controle dan je dacht. Zo verging het mij tenminste. Daar maak je als ouder de fouten in de omgang met je kinderen. Die weer verzacht worden (hopelijk) door een sterke basis van wederzijdse liefde, als het goed is.

In het geval van adoptie, in ons geval van een ouder kind, lag daar de angel.  Niet alleen ons adoptiekind had/ heeft moeite met zich geliefd te voelen, maar dat bleek andersom ook voor mij zo. Liefhebben is bij een dergelijke adoptie een proces. Een bewust proces. Een keuze. Ik ga mijn best doen jou lief te hebben als mijn kind. Dat lijkt een tegenstelling, maar is in feite de basis van echte liefde: doen. Handelen in de geest van liefde, het goede zoeken, de ander goed gezind zijn. Dat is de intentie…maar dan volgt de praktijk die weerbarstiger was dan ik wilde of vermoedde.

In  iedere opvoeding maak je fouten. Alleen ontbreekt bij adoptie of geadopteerd zijn de vanzelfsprekende basis. Iedere fout van de kant van de ouder is voor het geadopteerde kind vaak een bevestiging van het ‘vreemd’ zijn, van ‘er niet bijhoren’.  Voor mij gaf dat het gevoel iedere keer weer opnieuw te moeten beginnen. De keuze was onvoorwaardelijk, maar de gevoelens niet vanzelfsprekend. Ik merkte, om dit wat vage verhaal kort samen te vatten, dat ik wederkerigheid veel meer nodig bleek te hebben dan ik verwachtte.

Ondanks dat dit een redelijk warrig verhaal is, is het voor mensen in een vergelijkbare situatie misschien toch wel herkenbaar?

Het heeft me uiteindelijk ontzettend veel geleerd over Gods liefde voor mij. Ik ben tenslotte ook geadopteerd in Zijn gezin en ik begrijp beter dan ooit hoe die liefde van Hem voor mij een keuze is en dat die onvoorwaardelijk is. Als ik me dat al voor kan nemen, laat staan God Zelf. Het grote verschil is dat mijn ‘gedrag’ geen invloed heeft op die liefde van Hem, omdat ik door Jezus Christus vergeving krijg.  En God is Zelf liefde, daar heeft Hij mij niet voor nodig. Uit die liefde kon ik wel putten, steeds weer.

In een volgende blog hoop ik meer te vertellen over de spannende zoektocht die nu gaande is in Korea! Televisie en radio zijn bijgesprongen in de zoektocht!

Adoptie is een werkwoord, net als liefde

KIA busje

Er zijn waarschijnlijk verschillende motivaties van waaruit je een kind adopteert. Wie geen biologische kinderen heeft, adopteert, denk ik, allereerst om een kinderwens te vervullen. Een heel natuurlijk verlangen naar nageslacht. Naar zorgen voor iets kleins en afhankelijks, met wie je een diepere band ontwikkelt dan met de gemiddelde kat of hond. Iemand met wie je je leven kunt delen.

Ik had in die zin geen kinderwens in de jaren tachtig, aangezien we al drie kinderen hadden mogen krijgen. Maar er was plaats voor meer. We stonden open voor zowel meer biologische kinderen als voor een adoptiekind. De beslissing om voor een adoptiekind te gaan kwam vooral voort uit idealisme. Of beter gezegd misschien, uit onze overtuiging dat we moeten delen van de rijkdom die we ontvangen van God de Vader, met wie het minder heeft. Wat zouden we een kind in een weeshuis laten zitten met weinig toekomstperspectief terwijl wij van alles te bieden hadden? Een gezinsleven, veel meer toekomst, geborgenheid, een broertje en zusjes, en nog veel meer. Zo begonnen we aan ons avontuur. 

Maar elk ideaal, zelfs als het vanuit een diepe overtuiging  voortkomt, wordt uiteindelijk getest door de werkelijkheid van alledag. De dagen waarop niks lukt, het eten aanbrandt, de kinderen zich als etters gedragen en het kind dat je zo vol geloof in huis haalde, zich afsluit voor je.

Dat zijn de dagen waarop het opeens tot je doordringt dat liefde niet iets vanzelfsprekends is. Dat kinderen uit jou geboren, die dan wel het bloed onder je nagels vandaan kunnen zeuren, wel op een voortstromende basisliefde van je kunnen terugvallen, maar dat bij een ‘nieuw’ kind (van 7) er geen ‘terugval – liefde’ in jouw reservoir zit opgeslagen. 

Ik was jong, had nog niet veel levenswijsheid en zeker nog niet genoeg zelfkennis om dat allemaal te kunnen benoemen. Ik weet wel dat ik in dat eerste jaar van de adoptie  regelmatig een hele duistere Margreet tegenkwam, die ik niet kende en waar ik van schrok. Mijn frustratie en boosheid golfden soms als een storm over ons arme adoptiekind heen. Pas veel later, jaren later, ben ik (tot op zekere hoogte) gaan begrijpen wat daar gebeurde.

Ik was de jongste thuis. Met twee oudere zussen en twee oudere broers. In ons gezin werden ruzies meestal niet uitgepraat, maar resulteerden in zwijgen. Negeren. Om de een of andere reden herinner ik me heel vaak genegeerd te zijn. Ik was waarschijnlijk een verwend jongste zusje, dat lastig was en als gevolg kreeg ik dan de ‘cold shoulder’. Of het echt zo vaak was? Mijn moeder zei altijd dat ze zich er niets van kan herinneren en dat iedereen juist gek op me was. Maar moeders hebben soms een te rooskleurig beeld van hun kroost.

Hoe dan ook, genegeerd worden is voor mij een hele rauwe, gevoelige plek.  En wat ik, met hulp van deskundigen, op den duur duidelijk kreeg is dat ik in sommige situaties heftig reageer op een vermeend negeren, terwijl dat helemaal niet de intentie is van de persoon die ik dan bijna vermoorden wil…(Voor de duidelijkheid, het is natuurlijk meestal echtgenoot die het moet ontgelden)

Ik vertel dit allemaal omdat dit mechanisme ook speelde tussen mij en onze adoptiedochter. Zwijgzaam en teruggetrokken van karakter als ze was, ervoer ik dat als  een afwijzing. Alle jaren door is dat een spanningsveld gebleven. Door haar heb ik pas echt geleerd, door schade en schande, met vallen en opstaan, dat ik een mens moet accepteren zoals die is.  Niet willen veranderen, niet willen omvormen om bij mijn behoeftes aan te sluiten.  Ook iets leren proeven van wat agapé is. Liefde die er is, niet omdat het vanzelfsprekend is van je eigen kind te houden, maar liefde omdat je ervoor kiest. 

Onze dochter leest mee. Ze keurt de blog van tevoren goed. 

 

Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter  is sinds een paar jaar actief in Arirang, een vereniging van geadopteerde Koreaanse ‘kinderen’, nu allemaal volwassen (onze dochter is inmiddels 39!). De internationale adoptie is eigenlijk met hen gestart. Ik lees op de website van Andere Tijden dat de oorlog in Korea (1950-1952) de directe aanleiding was tot het ‘redden’ van vele wezen of verstoten kinderen daar.

In Korea werden kinderen, geboren uit een Koreaanse moeder en een  blanke of zwarte Amerikaanse soldaat (gestationeerd in Zuid Korea vanwege de oorlog), verstoten.  Niet alleen in de vijftiger jaren, ook in de jaren tachtig, toen wij er woonden merkte je nog heel duidelijk  dat er een taboe lag op het mengen van rassen. Korea is lang geïsoleerd geweest van de rest van de wereld en dat heeft ertoe geleid dat het land uiterst homogeen was en is. Er zijn altijd wel immigranten geweest, maar dat waren overwegend andere Aziaten. Chinezen en Japanners bijvoorbeeld. En die leven op zichzelf. Niet snel zul je een relatie zien tussen de verschillende nationaliteiten.

De schrijver Jan den Hartog en zijn vrouw waren de eersten die twee kinderen vanuit Korea adopteerden. Zij waren zeer bewogen met het lot van de verstoten kinderen  na de burgeroorlog daar, aan het begin van de jaren vijftig. Zij lobbyden in Nederland om meer kinderen geadopteerd te krijgen. Internationale adoptie was toen nog een onbekend fenomeen. Maar de behoefte aan adoptiekinderen was toegenomen door het gebruik van de pil. Er waren daardoor minder ongewenste zwangerschappen, en als gevolg minder babies die ter adoptie werden aangeboden.

In de jaren zestig werd  met groot idealisme begonnen om kinderen vanuit Zuid Korea naar Nederland te halen. Het was een vorm van ontwikkelingswerk bijna. De kinderen die in eigen land geen kansen hadden, werden naar hier gehaald om ze een beter leven te bezorgen. In de jaren zeventig was het een heel normaal beeld: gezinnen met één of twee buitenlandse kinderen. Toen ook al uit andere landen, behalve Zuid-Korea. Het sprak mij ook erg aan. Zo gaf je kansloze kinderen een nieuwe kans op een goed leven.

Er werd nog heel weinig nagedacht over de vraag in hoeverre je er goed aan doet een kind uit de eigen, sociaal culturele omgeving weg te halen. Een baby is een onbeschreven blad, dus die is nog helemaal te vormen, was de gedachte. Maar de buitenkant veranderde niet. Het Aziatische, Afrikaanse of Colombiaanse uiterlijk bleef zichtbaar. En niet alle kinderen kwamen als baby. Bij het opgroeien ervoeren de kinderen vaak een leegte in hun leven. Op wie leken ze? Waar kwamen hun karaktertrekken vandaan?

Na verloop van tijd ging blijken dat adoptie niet zo eenvoudig was als het leek. Bij de vereniging Arirang, die ik hierboven noemde, vertellen de leden allemaal een eigen verhaal. Sommigen voelen zich thuis, aangepast en tevreden. Anderen ervaren een gemis en zijn op zoek, naar familie, naar identiteit, naar wortels. Velen gingen door moeilijke periodes. Rebels of depressief.

Zelf adopteerden wij onze dochter terwijl we in Zuid-Korea woonden, in de jaren tachtig. We leerden haar kennen in een weeshuis/revalidatiecentrum waar een Nederlandse vriendin werkte. Zij bracht ons in contact met elkaar. Onze dochter was toen 6 jaar. Gevonden op straat, ruim een jaar daarvoor. Een veel voorkomend verschijnsel in die tijd. Kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap werden als een schande gezien en vaak afgestaan of achtergelaten. In bussations of andere drukke plekken. In de hoop dat ze gevonden zouden worden en meegenomen naar een weeshuis om wellicht naar het buitenland geadopteerd te worden. In de jaren tachtig was er nog veel armoede in het land. En iedere afwijking in het kind werd toegeschreven aan de moeder. Het was haar schuld. In de Confuciaanse maatschappij hoort een vrouw haar man een gezonde zoon te schenken. Zodat de generaties elkaar op gepaste wijze mogen opvolgen en vereren. En zo niet, dan bleef de vrouw in gebreke.

Een wreed lot dus, voor de vele kinderen met polio, CP (spastisch), downsyndroom enzovoort. We zagen de kinderen en volwassenen bedelen op straat, soms op heel vernederende wijze. Dat deed in ons de wens  groeien om te helpen. Iets te doen. Ons oude verlangen te adopteren en het nieuwe verlangen iets te doen om het lot van al die gehandicapte medemensen op straat te verbeteren, kwamen eigenlijk samen toen we het meisje ontmoetten, dat onze dochte zou worden. Door CP kon ze moeilijk lopen. Waarschijnlijk om die reden was ze achtergelaten in een drukke straat en door de politie naar het weeshuis in Masan gebracht. Getraumatiseerd had ze een jaar niets gezegd, tot ze langzaamaan zich thuis ging voelen en veilig. Veel meer dan naam en leeftijd vertelde ze aanvankelijk niet.

Toen wij haar ontmoetten was ze een vrolijk meisje geworden, verknocht aan haar Amerikaanse ergotherapeut en zeer bereidwillig om af en toe met ons mee naar huis te gaan. We hadden toen drie kinderen van wie de jongste 2 was en de oudste 8 jaar. Niet een makkelijke startsituatie voor haar, zo’n bestaand gezin waar jij dan in moet gaan passen. School was in het Nederlands, thuis werd Engels gesproken en met de vriendjes op straat weer Koreaans of Nederlands. Ga dan je talen maar eens leren….

Wordt vervolgd.

 

%d bloggers liken dit: