Categorie archief: Taalmaatje

Waarheen leidt de weg…?

Dit staat me nog het meeste bij van de korte vakantie in Kassel: Twee kaartlezers en twee volgers. De kaartlezers die het 99% van de tijd niet eens waren en discussies voerden over of we nu wel of niet rechtdoor, linksaf of terug moesten. Geduldig wachten was het devies van de volgers. Of af en toe een duit in de zak doen die nauwelijks of niet werd waargenomen door de kaartlezers. Ach, laat ook maar….dachten dan de volgers en staken hun vinger de lucht in, dáár ligt de ware Weg.

Kaartlezen is niet ‘mijn ding’. Ik heb totaal geen gevoel voor ruimte en richting. Ik moet nog steeds via een ezelsbruggetje bedenken waar ook alweer de zon opgaat (kerstliedje: nu daagt het in het Oosten – oh ja, de zon komt op in het oosten). Na een keer rechts en links heb ik geen idee meer van richting of plaats. Ik werk niet met kaarten maar met visuele kenmerken. De AH op de hoek, de gele tegel links, de benzinepomp rechts, langs dat huis met al die bloemen in de tuin….

Mijn Roemeense student (Nederlands) zei eens zeer verward te zijn door de aanwijzingen ‘voorbij dat en dat punt’. Vóór is toch ergens voor. En bij is soort van dichtbij. Maar het betekent erná. Ik begreep hem precies. Als ik luister naar de gesprekken van de kaartlezers denk ik ook, hoe komen jullie aan al die voors en na’s? Ik voel me net zo gedesoriënteerd als Iosif. Ik liep hier rustig in een straatje en nu beginnen jullie over zuid en noord en weet ik wat voor richtingen. Laten we gewoon wat dwalen. Dat geeft zoveel rust.

Partir c’est mourir un peu..

Ik nam laatst afscheid van mijn taalles. Vier jaar heb ik namens een welzijnsorganisatie Nederlandse les gegeven aan migrantenvrouwen. Ik begon met de bibbers, maar na verloop van tijd ben ik gaan genieten van de ochtenden dat ik samen met mijn vrouwen aan hun Nederlands sleutelde. Zo’n diverse groep! Zowel wat betreft nationaliteit, religie, taal, leeftijd en achtergrond. Allemaal gelijk echter in hun behoefte aan contact en bevestiging.

SAM_1743

Ik heb veel geleerd van deze dappere dames. Ze lieten hun land en familie achter, sommigen uit vrije keus, maar de meesten gedwongen door oorlog en geweld. En dan een nieuw leven opbouwen in een vreemd land, met een jou vreemde cultuur en een taal leren die als een van de moeilijkste bekend staat. Ga er maar aan staan! Om de stress te verlichten was mijn doelstelling tijdens de les altijd in ieder geval een keer samen lachen. Niet meegezogen worden in de verhalen over ziekte en depressie, maar ze wel te horen.

Tijdens mijn afscheidsmomentje vloeiden de tranen. Ik was natuurlijk gevleid, maar na de zoveelste omhelzing en toen zelfs mijn Thaise leerling huilde, dacht ik als nuchtere Nederlandse wel: Nou ja, zeg…Ik ga de wereld niet verlaten..We gaan samen  nog een keer eten, dus wat is dit?

Thuisgekomen realiseerde ik me dat er meer aan de hand was. Dat die tranen niet alleen mijn sfscheid golden, maar iets losmaakte bij de vrouwen. Een dieper verdriet over al die andere vaarwels. Van vaders en moeders, vaak te oud of te ziek om mee te vluchten, van broers en zussen, wel gevlucht maar over de hele wereld verspreid asiel gekregen. Soms van kinderen, of van grootouders. Steeds weer dat afscheid.

Het herinnerde me aan onze tijd in Zuid Korea. In de kerken daar werd ook veel gehuild. Waarom, dachten wij in het begin…Ik vond het maar overdreven, dat gesnik, tijdens de gebeden vooral. Arrogante westerling als ik toen was. Maar ook toen werd het me allengs duidelijk dat die tranen ook opwelden uit een diep verborgen verdriet, dat als een onderaardse stroom aanwezig was in de samenleving. Namelijk de herinnering aan geliefden in de Koreaanse oorlog (1950-52), die toen rond dertig jaar geleden was. Er was geen Koreaan (ik spreek over de jaren tachtig) die niet een familielid in het streng afgesloten Noorden had, met wie contact absoluut onmogelijk was. Kinderen die al tientallen jaren hun ouders niet meer spraken, echtgenoten, die elkaar kwijt geraakt waren in de chaos van de oorlog, broers en zussen enzovoort. En juist tijdens de gebeden, in de ontmoeting met God kwamen de tranen los. Dat is tenminste mijn gedachte.

Verdriet zoekt zich altijd een weg naar buiten. Vaak in de vorm van bitterheid of angst en ziekte. Maar wanneer het gedeeld kan worden in tranen, met een ander of de Ander, ligt er in die ontmoeting troost. En is het verdriet weer even dragelijk.

Ik ga mijn taalochtenden missen. Maar het contact met mijn moedige dames wil ik blijven houden. Op een andere manier misschien. Een manier waarin minder de taal, maar de ontmoeting centraal staat.

Nog even broeden over een goeie vorm.

Heerenveen en Somalië

Vanmorgen mijn wekelijkse taalles gegeven. Mijn nieuwe groep bestaat uit drie Somalische, een Syrische, een Irakese, een Taiwanese en een Poolse vrouw. Een zeer gevarieerde groep. Zowel wat betreft cultuur als niveau. Sommigen zijn al lang en andere sinds korte tijd in Nederland. Mijn eerste warm-up oefening is, vertel één ding wat je gisteren gedaan hebt. De meesten meldden iets huishoudelijks, eentje had een glas appelsap gedronken (?), eentje had Lingo gekeken. Ik had voorbereid om over mijn uitstapje naar Heerenveen te vertellen. Ik was daar (na een urenlange treinreis) naar Facing Nature geweest in museum Belvedere.

Ik zoek altijd van tevoren enigszins zenuwachtig naar een onderwerp om wat van de Nederlandse cultuur te delen. Dat is leuk, maar vindt maar eens iets wat niet al te moeilijk is. En dat in eenvoudig Nederlands besproken kan worden. Ik heb geen onderwijsachtergrond en zie iedere keer op tegen de les. Hoe leuk ik die vrouwen ook vind, op een gegeven moment verwachten ze van mij toch dat ik hen anderhalf uur bezig hou. Het gaat altijd goed en het is altijd leuk, maar ja. Soort plankenkoorts zal het wel zijn. Nodig om er een leuke les van te maken….

Terug naar Heerenveen. Ik was er nog nooit eerder geweest, Friesland is ver en ik ging ons clubje over de groene weiden en ruime blauwe luchten vertellen van ons Friese lâand.

‘Eerfeen!’, roept een van de Somalische dames onmiddellijk als ze het woord ziet staan op de flip-over. ‘Ja’, ik verbeter automatisch, ‘Heerenveen’. ‘HeereFeen!’, roept ze nogmaals enthousiast. ‘Is oude dochter geboren! daar gewoond!’ Echt? Ik ben verbaasd, maar realiseer me opeens dat veel van de asielzoekerscentra in verre oorden staan. ‘Heerefeen, Frieslan, mooi!’. Het plezier straalt van haar gezicht. Omdat ze weet waar het ligt, en om de herinnering. ‘Leuke mensen daar, Heerefeen. 1 jaar gewoond, toen Utrecht’. Minder leuk, duidelijk. Degenen die geslaagd zijn voor hun inburgering weten tenslotte allemaal hoeveel provincies Nederland heeft. Hele nuttige kennis uiteraard.

Ik vertel verder over het museum en zoek naar een definitie van ‘een tentoonstelling’. Taal is zo lastig als je geen gezamenlijk referentiepunt hebt. Museum is makkelijker. IJsselstein heeft een klein museum en dat kent een van de Somalische vrouwen. In het Arabisch legt ze dan even uit hoe en wat. Arabisch als het Engels van het Oosten en (sommige delen van) Noord Afrika. De Irakese, Syrische, Somalische, Sudanese en Marokkaanse vrouwen kunnen elkaar redelijk volgen in het Arabisch.

We gaan verder met de les en liggen met elkaar in een deuk omdat ‘kaboutertje’ zo vreselijk moeilijk is om uit te spreken. De les bevat een verhaaltje met vragen en er komen steeds verkleinwoordjes in voor, die vanwege de – tjes, en -ntjes zó lastig zijn. ‘Moeilijk, moeilijk’, roepen ze om beurten, gierend van de lach, als hun tong in een dubbele knoop is geraakt. Ik zeg, praat nou wat langzamer en knip het woord in stukjes…en zo waar het gaat beter. We oefenen man-ne-tje, schoen-tje, mut-s, allemaal tonguetwisters! Vooral muts is voorlopig ‘must’. Hopelijk hoeven ze die niet ergens te kopen.

Altijd geïnteresseerd in vreemde culturen vraag ik de vrouwen of ze ook ka- bou-ter-tje-s kennen in hun sprookjes en verhalen. Ze zeggen allemaal onmiddellijk ja, maar uit de beschrijving lijkt het wel of ze het over de Kerstman hebben. Bij doorvragen blijkt dat de meesten het over westerse sprookjes hebben, Sneeuwwitje en zo. Maar in jullie eigen verhalen, van héél vroeger dan, probeer ik nog. Ze blijven het over rode neuzen en witte baarden hebben, dus ik geef het op. Ga wel eens googlelen.

De Syrische vrouw woont al 13 jaar in Nederland, en komt vooral voor de gezelligheid. Toch zegt ze iedere les verwonderd dat ze voor het eerst een woord heeft gehoord: ‘ik woon al zolang in Nederland, maar nog nooit het woord ‘sinds’ gehoord.’ Gisteren was het het woord ‘organisatie’ wat ik met veel zweet uit probeerde te leggen. Wat is nou een organisatie in eenvoudig Nederlands? Het licht ging eindelijk op. Aah! Organisatie, ja ik begrijp het!

Nog nooit van het woord ‘organisatie’ gehoord na 13 jaar Nederland…Knap van haar!

Nestgeur?

oostersorthodoxpinkster-dienst

Ze gaat graag mee. Om half tien haal ik haar op, mijn taalmaatje. Ze is gelovig, komt uit een Oosters-orthodoxe kerk en mist de kerkgang in Nederland. Ik heb aangeboden haar mee te nemen naar een kerk in de buurt van haar huis. Met de achterliggende gedachte: dan kan ze er zelf heen lopen, ze kan er mensen leren kennen die haar door de week ook kunnen steunen waar nodig. Want ze heeft het niet makkelijk. Financieel, sociaal, in haar huwelijk, ze is eenzaam en mist haar moeder in de opvoeding van haar kindje.

We gaan naar de Nieuw Testamentische Gemeente in mijn woonplaats. Een nogal weidse naam, maar ik ken er iemand die ik vertrouw en die ook bij de ChristenUnie betrokken is. Zelfs raadslid is geweest. Wie weet kan zij een rol spelen in de ‘aarding’ van mijn taalmaatje.

We worden vriendelijk welkom geheten in de verbouwde school. Iedereen is vriendelijk, er lopen mensen van allerlei leeftijden, etnische en sociale achtergronden. De straatkrant verkoper die altijd bij onze Jumbo staat komt naast me zitten en we maken even verder kennis. Hij herkent mij (oh, oh, was ik wel vriendelijk genoeg? Gelukkig koopt echtgenoot altijd de krant..). En hij blijkt uit hetzelfde land te komen als mijn taalmaatje. Ze babbelen wat. Hij is aardig en legt wat dingen uit.

De dienst start. Met aanbidding. Veel zingen, staan, geheven handen, de band, nou ja, al met al ook niet geheel onbekend in mijn eigen gereformeerde wereld. Wel wat langer, wat veel herhaling en tussendoor meer praten. Na een poosje kijk ik links naar mijn gaste die één stoel verder zit. Haar hoofd is gebogen en ze frunnikt wat aan haar broek. Ik voel dat ze niet op haar gemak is. Ik ruil van plaats met degene die naast haar zit en vraag haar hoe ze het vindt? ‘Dit is niet mijn kerk..het is vreemd’ zegt ze enigszins beteuterd. ‘Zoveel lawaai’. Ik heb een beetje meelij met haar. Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik voor het eerst een dienst bijwoonde in een Pinkstergemeente. Ik had het liefst direct de kerk verlaten. De persoonlijke emoties van de mensen om je heen voelen heel vervreemdend wanneer je daar niet aan gewend bent.

Na een poosje begint de preek. Een goede boodschap over Jezus die kwam om te dienen, niet om gediend te worden, hoewel Hij alle recht had daarvoor gekozen te hebben. De spreker is vlot van de tongriem gesneden, maakt grapjes en spreekt snel. Het ontgaat N. volledig. Haar Nederlands is niet goed genoeg. Ook de krantverkoper kan het niet volgen en leest de bijbel in zijn taal.

Na de dienst geeft N. aan dat ze het gevoel had dat ze God aan het verraden was door bij deze dienst te zijn. Het is niet wat ze wil. Ik leg haar uit dat het ook niet het soort dienst is waar ik me echt thuis voel, maar dat het belangrijkste voor God niet is welke vorm een dienst heeft, maar of er uit Zijn woord gesproken en gezongen wordt. Maar dat gaat er niet in bij haar. Zo ga je toch niet met God om? Mensen slaan geen kruis….de muziek is lawaaierig, mensen knielen niet. Ze mist eerbied. Tenminste, zoals die vorm krijgt in de Oosters orthodoxe traditie.

Welaan. Om haar een (steun)kring van mensen te bezorgen bedacht ik dat de Pinkstergemeente daar de meeste kans op bood. Maarrr..mijn plan dient bijgesteld.

Volgende keer maar de katholieke kerk bezoeken. Mijn eigen kerk bevindt zich helaas niet in mijn woonplaats. Het doet me wel al meer gemotiveerd raken met mijn mede stadsgenoten een (huis)gemeente te beginnen.

Taalmaatje en de vrede van open kerken

Mijn Taalmaatje is verdrietig. Er wordt over haar geroddeld. En hoe kan ze zich ertegen verzetten? Tegen roddel is geen mens bestand. Met trieste ogen zit ze een beetje in elkaar gezakt in haar stoel. De kleine S., dochtertje van 5 maanden, zit vrolijk in haar wandelwagen en trekt de aandacht van mamma. Even trekt er een lach over haar gezicht. Zullen we naar buiten, vraag ik. Ik kan het probleem ook niet oplossen. Ik heb nog voorgesteld om naar de vervelende buurvrouw te gaan om haar te vragen wat er is. (ik, held in conflicthantering haha..voor een ander is het altijd makkelijker, immers?). Maar dat moest absoluut niet.

Buiten praten we nog wat verder. Ik probeer van de nood een deugd te maken en leg haar het Nederlandse spreekwoord ‘Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten’ uit te leggen, maar dat is nog een brug te ver. Zij probeert mij uit te leggen waarom ze het aldoor heeft over iemands ogen eruit trekken. Dat blijkt weer een Roemeens spreekwoord te zijn. Zusterlijk leggen we ons neer bij de raadsels van onze talen. We gaan naar de kerk. N. wil graag dicht bij God zijn, dan wordt ze weer rustig.

In de kerk daalt de rust op haar neer. Het is er zo stil en vredig. De tranen komen, en dat geeft niet. Ze brandt een kaars, bidt en staat een poos stil bij het Christusbeeld.

Ik voel ook de frustratie uit me weg trekken. Ik kan dit niet voor haar oplossen. Ik ben maar haar taalmaatje. Ik kan het wel net als zij achter laten bij God en bidden dat de buurvrouw het haar niet moeilijker maakt dan ze het al heeft.

Waarom zijn de protestantse kerken toch altijd potdicht en de katholieke niet?

Taalmaatje

Ik ben in mijn woonplaats als vrijwilliger begonnen als Taalmaatje. Een paar uur in de week is het de bedoeling dat ik Nederlands oefen met mijn maatje, een Roemeense vrouw. Vrij jong, sinds een jaar of drie in Nederland en getrouwd met een Nederlander. Door omstandigheden is ze wat geïsoleerd geraakt en door het contact met een vrijwilliger moet haar Nederlands beter worden en moet ik haar ook wat helpen thuisraken in onze woonplaats. Aangezien het laatste voor mij net zo goed geldt kan ik het samen met haar doen.

Ik vind het leuk.  We hebben elkaar nu een paar keer ontmoet en het klikt. N. spreekt genoeg Nederlands om al een redelijk gesprek te voeren en als we er niet uitkomen is er nog het Engels. Ze is heel gemotiveerd en vindt het vooral ook heel gezellig om contact te hebben. Ze vindt de Nederlanders maar koude kikkers. Niemand zegt wat, niemand vraagt haar op de koffie, behalve één buurvrouw, maar die is geen Nederlandse. In Roemenië ga je in je pyjama koffiedrinken bij je buren, zo gezellig, maar hier…

Tja, het valt niet mee inderdaad. Zelf ben ik ook nog niet verder dan de voordeur geweest van mijn naaste buren. Nee, correctie, bij één buurvrouw hebben we een borreltje gedronken en tijdens de ijs periode heeft ze chocolademelk bij ons gedronken. Maar verder is het erg moeilijk om buren tegen te komen. Ik heb een uitnodiging voor een nieuwjaarsborrel rondgestuurd, maar helaas,,,verhinderd.

Vorige week ben ik met N. gaan wandelen naar het stadje. Met haar baby in de wagen. Voor het eerst dat ze de wandelwagen gebruikte. Veel lopen doet N. niet, maar samen was het wel goed. Of ik een kerk wist waar ze heen kon gaan? Ze miste dat zo. Misschien wel heel slecht geïnformeerd, maar ik vroeg me af of de katholieke kerk niet erg lijkt op de orthodoxe kerk waar ze lid van was in Roemenië. Ze wist het niet, volgens haar maakte het niet zoveel uit. Welaan, dan gaan we toch daar heen?
De Nicolaasbasiliek in IJsselstein is gelukkig overdag altijd open. We hebben allebei een kaarsje gebrand, zij voor haar familie, ik voor de mijne.