Van heggen en grenzen

Lieve mensen, wat een ellende kan er ontstaan over een heg. Ooit keek ik weleens op tv naar de Rijdende Rechter. Dat ging over geschillen tussen buren en ik dacht dan meestal hoe is het mogelijk over dit soort onbenulligheden zo’n conflict te krijgen? Ik weet helaas inmiddels beter. Hier volgt het verhaal van de Woekerende Hedera.

De heg

Ons huurhuis heeft een middelgrote achtertuin. Daar tuinier ik met plezier. Leeggehaald aan het begin van de huur en langzaamaan weer aangelegd en beplant. Links in overleg met de buren een schutting laten plaatsen. Rechts stond al een monsterlijk dikke Hederahaag die we ijverig ieder jaar een paar keer terug snoeiden, maar die een steeds sterkere neiging vertoonde schuin onze kant op te groeien. Zo’n 1,5 m breed en 2 m hoog was het een heel gevaarte geworden waar ik een haat/liefde verhouding mee had. Vogels bouwen er hun nesten in, in de nazomer gonst het er van honderden bijen en een heg oogt mooi groen en natuurlijk. Als hij nou maar niet zo’n beetje een derde van mijn tuin begon in te nemen….

Dit is een Hedera heg. Maar dan recht. Bij ons 45 gr. schuin overhellend naar rechts denken

De heg moet weg

Vorig jaar winter hakte ik de knoop door. De heg moet gewoon drastisch teruggesnoeid. Onze Syrische huisgenoot had allerlei ideeën om met palen en ijzerdraad het ding weer rechtop te krijgen. Of zelfs door er met een auto en een touw heel hard aan te trekken. Ik had daar zo mijn twijfels over. Stapsgewijs begon ik de haag zodanig te snoeien dat ik zou kunnen zien waar eigenlijk de oorspronkelijke ‘stam’ was. Het werd steeds duidelijker. Ergens in de prehistorie was er een paal ( of meerdere) geweest met ijzerdraad waarlangs de Hedera was geplant. Die paal leunde nu 45 gr. onze richting uit en trok de rest van het groene monster met zich mee. Ergens vond ik in de jungle nog een vergane paal en wat verrot tuinmateriaal. Ooit toen de aarde nog wild was en dun bevolkt, was het een mooi begin van een heg geweest, denk ik.

De communicatie

Ik waarschuwde de buurman dat we dit jaar drastisch zouden gaan terugknippen. Dat was akkoord. De buurman doet het tuinonderhoud en die was ook wel klaar met het geknip en gesnoei. In een paar maanden tijd snoeiden we aan onze kant steeds meer weg. Maar het werd duidelijk dat er grover materieel nodig was. Het ding moest gewoon weggezaagd. Opnieuw overleg met de buurman. -Prima, haal dat ding maar weg. We gaan zo goed als zeker verhuizen, dus doe wat je wilt.-

Zo bespraken we tijdens het avondeten met onze jonge, super getrainde huisgenoot erbij hoe we die klus zouden kunnen klaren. Vier meter heg 1,5 m dik en 2 meter hoog, dat is niet niks. En we fantaseerden over wat we dan in de plaats wilden.

Eerst maar de beuk erin

We waren een dagje weg en bij thuiskomst zien we in de tuin een gehalveerde heg. Dorre takken steken kaal en desolaat de lucht in. De helft van de heg is een meter in de hoogte weggekapt, de rest staat nog fier groen 2 meter hoog te zijn. Voor ik iets kan zeggen hoor ik mijn naam roepen. De toon is niet blij en licht dreigend. Het uit- de-suikerpot-gesnoepte schuldig kind gevoel overvalt me. Er is iets mis. Of ik een christen ben, roept de stem over de halve heg. Aan de toon waarop die vraag gesteld wordt horen we dat die vraag niet uit heilsbegerig verlangen voortkomt.

De tirade die volgde ga ik niet herhalen. Die was niet gezellig. En ook niet redelijk. Wat er gebeurd was werd ons in geuren en veel drama verteld. ‘Die jongen’ was er met zaag en bijl ‘als een idioot’ op los gegaan en wilde niet stoppen ondanks herhaald verzoek. Tja, die jongen, onze huisgenoot, was zo betrokken bij Operatie Heg dat hij, toen hij een middagje alleen was, het plan opvatte ons te willen verrassen. Wij middag weg, Heg weg. Kopzorgen weg.

Hoe verstandig dat was? Onze tachtigjarige buurvrouw, zeer aan haar heg gehecht (:)) ziet plotseling een vreemde, volledig in zwart gehulde (pet, mondkapje, zonnebril, haar en kleding) ninja figuur met een bijl haar heg weghakken. Die is zich een ongeluk geschrokken. Ze is met alles wat ze kon bedenken onze helper gaan tegenwerken, tot de tuinslang aan toe. Onze gast (niet gevoelig voor de emoties van de buurvrouw) voelde zich behandeld als een hond. En overtuigd van racistische bejegening gaf hij daarom geen gehoor aan al haar stop bevelen. Het moet een drama geweest zijn. Ik vraag me af wie van de buurt allemaal heeft meegesmuld.

Anderhalve heg

Zo zaten we dus met anderhalf groen monster en een boze buurvrouw. Geen leuke aanblik, geen fijn gevoel. Wat nu? Na een afkoelpauze waagden we een nieuwe poging tot overleg. Opnieuw gaf de buurman fiat. Haal maar weg! Verder geen excuses, maar ok. Een kennis zou komen met een kettingzaag om de boel weg te zagen. Tot we bedachten dat met het compleet verwijderen van de heg ook onze privacy verdwijnen zou. Iets ter vervanging moest nog bedacht. In de huidige situatie niet fijn voor beide partijen. Dus, dachten we, laten we het uitstellen tot na ons bezoek aan de VS, aan mijn schoonvader. Dat besluit viel niet in goede aarde. Nu was ‘de verwachting’ dat we zo spoedig mogelijk de heg zouden weghalen. Weer werd het een ongezellig gesprek. Ik was bijna rijp voor de Rechter. Nu werd er van ons geeist dat we de heg, die uiteindelijk niet van ons is en die me al jaren stoorde, op een moment dat ons niet uitkwam, moesten laten weghalen door onze ‘tuinman’. Het moest toch niet gekker worden. Plotseling begreep ik de woede van de mensen bij het programma over geschillen tussen buren. Echtgenoot was er klaar mee en vertelde hen, in toorn ontstoken, dat het hun heg was en dat ze er lekker zelf mee verder mochten.

Communicatie is een vak

Een laatste poging tot een verzoenend overleg bleek kansloos. Wat mij redelijk leek en begrijpelijk, werd compleet anders ingeschat. Waar ik meende dat er onaardige dingen gezegd waren over ons bleek ik daar totaal ongelijk in te hebben, of was ik veel te snel aangebrand. Dingen van twee kanten bekijken was iets waar men niets mee kon. ‘Zo zitten we niet in elkaar’. Hier liep ik vast. Het hele gedoe raakte me meer dan ik wilde. Ergens hoop ik door redelijkheid tot een soort ontmoeting te komen. Een plek waarop je tenminste kunt zeggen, nu snap ik waarom je zus of zo reageerde. Wat is goeie communicatie een kunst! Hoe is het toch mogelijk dat wat je meent gezegd te hebben bij de ander een compleet andere boodschap wordt? Wantrouwen speelt daar zeker een rol bij en dat hoeft niet eens iets met mij persoonlijk te maken te hebben.

Grenzen, letterlijk en figuurlijk

Zo leidde het verhaal van de woekerende, naar onze tuin overhellende Hedera tot veel meer begrip voor de heftige emoties van de deelnemers aan de Rijdende Rechter. En realiseer ik me des te meer dat ijzer niet met handen te breken is. Ja, het gaat in die serie om iets onbenulligs. Maar het is de communicatie, nou ja, juist het gebrek eraan, wat tot ruzie leidt. Om over die ruzie heen te komen zijn twee partijen nodig. En dat blijkt een lastige.

Is minder simpel dan het lijkt.

Mijn Kringloop boekenlijst

Vaak ben ik van plan volgens een bepaald systeem te gaan lezen en dan erover te schrijven. Een neiging die  mijn nogal chaotische binnenleven wil ordenen.   Onder invloed van andere blogschrijvers bedacht ik laatst om van alle Nobelprijswinnaars voor de literatuur sinds mijn geboorte één of meerder romans te lezen. Overzichtelijk en te doen. Dacht ik. Ik moest  beginnen in 1955, dus een hele lijst. De eerste schrijver, Haldor Laxness, uit IJsland, was mij volkomen onbekend en het boek, Aan de Voet van de Gletsjer, was op z ’n zachtst gezegd ráár, (vond ik). Ik moest heel wat lezen over het boek om een idee te krijgen waar het in vredesnaam over ging. Magisch realisme, legendes, Scandinavische mythen, avantgardistisch…nou ja, van alles en nog wat. Not my cup of tea. Toch leuk om er kennis van te nemen.

Haldor Laxness
Lees verder “Mijn Kringloop boekenlijst”

De coronazomer van 2021

Geen lange reizen

Het is een vreemde, lange zomer geweest met weinig zomerweer en slechts korte vakanties en/of belevenissen. Toch maakte die diversiteit de zomer ook weer leuk. We hebben veel echt Nederlandse dingen gedaan, iets waar we door naar het buitenland te reizen veel minder aan toe komen. Echtgenoot is al voor de tweede zomer op rij niet in het buitenland geweest, wat een unicum is. Als warmte- en zonminnaar vertrekt hij zo gauw het kan voor vakantie naar zuiderlijke oorden, waar ik dan weliswaar smelt, maar geniet van zijn genot. Corona maakte alles anders. Geen buitenlandse reizen voor ons samen. Behalve een moederdaggeschenk van mijn oudste dochter: in juni naar hun familiehuis in Griekenland! Intens genoten.

Toen moest de zomer echter nog beginnen. Het weer bleef matig, maar we hebben toch veel ondernomen. Eigenlijk was het ‘mijn’ zomer. Al zo lang wil ik eens in Nederland op vakantie, maar zwicht steeds voor de zonverlangens van echtgenoot, zoals gezegd. Ik weet dat hij die warmte nodig heeft om een Nederlandse grijze winter te doorstaan. Maar goed. Dank zij corona kon het dit keer niet anders.

Ik hou ervan mijn regio te verkennen. Wat speelt er, wat gebeurt er nu en wat gebeurde er vroeger? Ik lees met plezier plaatselijke krantjes en folders en hou bij wat er allemaal georganiseerd wordt. En wanneer je dat eenmaal doet valt het op hoe actief mensen zijn in stadjes en dorpen! Zoveel initiatieven op muzikaal en ander cultureel gebied. Waar ik woon zijn ontzettend veel vrijwilligersorganisaties die de leukste dingen bedenken!

Herman de Man

Zo was er de maand waarin de schrijver Herman de Man werd herdacht met een heus festival. Hij groeide op o.a. in Gouda, Woerden, Lopikerkapel en Polsbroek, de laatsten kleine dorpen in deze omgeving, die Lopikerwaard genoemd wordt. Zijn romans spelen zich allemaal af in deze polders. Ook IJsselstein, mijn woonplaats, wordt vaak vermeld. Ik was geen de Man-kenner maar het intrigeerde me dat hij zo uitgebreid over de regio waar ik de laatste tien jaar woon heeft geschreven! Een gebied waar ik inmiddels wel wat verknocht aan ben geraakt. Dat betekende dus de romans gaan lezen. Ooit begonnen in het meest bekend geworden ‘Het Wassende Water’ maar toen blijven steken vanwege het dialect. Opnieuw begonnen en gaandeweg zo geboeid geraakt dat ik achter elkaar drie andere gelezen heb. ‘Rijshout en Rozen’;  ‘De Bittere Winter van Negentig’ en ‘Maria en  haar Timmerman’.

Mini manie

Zo ontstond er een mini Herman de Man manie. Want alom werden activiteiten georganiseerd die ons mee op pad namen om een aspect van het leven van de personages in zijn romans te proeven. We bezochten een eendenkooi (ik had geen idee wat het was tot we er een zagen). We zagen een solo theatervoorstelling door Gerda Hoogendijk gebaseerd op het Wassende Water, in een oude boerderij, begeleid door accordeon en piano. We fietsten langs paden en wegen die door waarden en polders voerden met langs de weg lokale producten en antiek. Het was zo leuk! En wat heb ik veel geleerd! Over polderbestuur en waterbeheer aan het begin van de 20e eeuw, over het harde leven van de boeren, over hun verstokte  liefde voor het oude polderland en de (kerkelijke) tradities.

Herman de Man vind ik een geweldige schrijver. Zijn mensenkennis, zijn inzicht in de innerlijke strijd die elk mens voert, zijn prachtige beschrijvingen van het boerenland, de seizoenen, zo belangrijk voor boeren, en zijn mildheid ondanks kritiek op de vastgeroeste boerengewoontes en hun starre godsdienst. Opvallend is ook zijn menselijke beschrijving van zijn karakters inclusief de erotische gevoelens. Ik ben begonnen in een biografie over hem van Gé Vaartjes. Ik geloof de meest uitvoerige biografie die er is. Daarin komt de Man naar  voren als een nogal onuitstaanbaar mannetje. IJdel, onbetrouwbaar en dominant. Ik was teleurgesteld maar realiseerde me dat talent niet altijd samengaat met een makkelijk karakter. Hij is niet de eerste schrijver die in het dagelijks leven moeilijk in de omgang is.

Boerderij waarachter de eendenkooi is.
Een oer-Hollandse, vertelling door Gerda Hogendijk, vrij naar het boek van Herman de Man. Met muzikale begeleiding door Janet van Diest (accordeon)en Jean Marie Dosogne (piano).Theatervertelling op de deel.
Brocante langs de weg
Boerderij bij Jaarsveld

Herman de Man, echte naam Salomon Hamburger, heeft een grillige levensloop. Zijn ouders zijn joods, maar nauwelijks religieus. Hij is pacifist in zijn jonge jaren en moet daarvoor naar de gevangenis omdat hij dienst weigert. Later ook nog eens voor fraude. Hij wordt vaak ontslagen of raakt in conflict met mensen om hem heen. Hij trouwt met een Joodse vrouw en heeft zeven kinderen met haar. Na hun trouwen treden ze toe tot de Katholieke kerk. Vóór het uitbreken van de oorlog vertrekt de Man naar Frankrijk. Vandaar vlucht hij naar Engeland en werkt  voor radio Oranje. Zijn vrouw en vijf van zijn kinderen zal hij tragisch genoeg, nooit meer zien. Zij worden vermoord in Auschwitz. Zelf keert hij, na nog een korte periode op Curaçao, terug naar Nederland, bij zijn twee overgebleven kinderen, die ondergedoken waren in de oorlog. In 1946 komt hij om bij een vliegtuigongeluk. Hij wordt begraven in Vianen waar zijn graf enkele jaren geleden is gerestaureerd.

De grafsteen in Vianen

Ik voel me door het lezen van zijn romans nog meer verbonden met mijn omgeving. De lange historie van dit gebied, dat grotendeels nog bewaard is gebleven in de oorspronkelijke vorm wat betreft de indeling van de polders met oude namen.

Nu moet ik me nog ertoe zetten de serie het Wassende Water te gaan kijken die in de jaren tachtig op TV was en nu op YouTube nog te zien is. Ik ben geen fan van series van eigen bodem maar het schijnt wel de moeite van het kijken waard te zijn.

Vergeetwoord, Rynbende en mijn vader

Tantjem

Vergeetwoord. Het is een rubriek in de Taalstaat , een radioprogramma van de NPO op zaterdagochtend, gepresenteerd door Frits Spits. Gewone, ouderwetse, heerlijke radio. Er komen veel woorden voorbij die ik herken en zelf nog gebruik. Vorige week was er een mij onbekend woord, namelijk ‘mullen’. Niet als in het ‘mulle zand’, maar als een karakterisering van een moeilijk, zeurderig iemand. Een mul iemand. Leuk. Je kunt je het voorstellen, de moeizame gang door mul zand en dat dan als metafoor van het optrekken met een persoon die klagerig is. Ik ken wel een paar mulle mensen.
Maar ik werd vooral geprikkeld door een bijdrage van Frits Spits zelf. Over het begrip ‘dividend’. Niet een vergeetwoord maar zo’n begrip waarvan je alleen echt de betekenis doorgrondt wanneer je in een bepaalde wereld zit. Iets met banken en financiën.
Dat deed me terug denken aan vroeger. Aan een ander woord. Ik ben van 1955, dus het moet zo begin jaren zestig zijn geweest dat ik dat woord oppikte dat om de een of andere reden altijd tot een bepaalde opgewektheid bij mijn ouders leidde. Het was een vreemd woord, maar ook wel een mooi woord vond ik. Mijn liefde voor talen zat er toen al in. Ik verstond ‘tantjém’. Als dat magische ‘iets’ er was konden we opeens van alles kopen. Het wás er ook niet, nee, het was bínnen. Dat vond ik wel wonderlijk, want ik zag namelijk niets. Toen ik wat ouder werd begreep ik natuurlijk dat het over geld ging. Een extraatje in de maand december, afhankelijk van hoe goed de zaak het gedaan had. Ik hoor het woord nooit meer. Een vergeetwoord dus.

Tantième, frans. Evenredig aandeel in de winst

Rynbende

Mijn vader werkte als vertegenwoordiger van een jenever distilleerderij, de firma Rynbende in Schiedam, onderdeel van de Gist en Spiritus fabriek in Delft. Later, in de jaren zeventig opgegaan in Henkes. En nog weer later werd dat Bols.
Maar in mijn jonge jaren was Rynbende een begrip bij ons thuis. In de jaren twintig begonnen als jongste bediende, hij was twaalf, dertien jaar, had mijn vader zich opgewerkt tot vertegenwoordiger. Hij reisde het hele land af om klanten te bezoeken en te winnen. Klanten waren over het algemeen café’s en restaurants. Maar ook wel groothandels en kantines. Met mijn vader op pad hield voor mij in naar een ‘zaakje’ gaan. Zo noemde mijn vader steevast zijn klanten immers. Die en die zaak had zoveel besteld. Af en toe vergezelde mijn moeder hem een dagje mee en mocht ik als jongste mee. De flesjes chocomel die ik dan kreeg waren het summum. Ik herinner me ook nog goed hoe hij in een bepaald seizoen (zomer?) thuiskwam met allerlei flessen drank en dat mijn moeder dan moest proeven…Nieuwe bessenjenever, nieuwe citroenjenever, advocaat. Mijn moeder was absoluut geen drinker dus na een paar slokjes was ze al vrolijk.

Ontslag en de gevolgen

Mijn vader was een werknemer van het oude slag, met hart voor de zaak. Hij werkte ruim veertig jaar bij Rynbende toen het bedrijf werd opgekocht door Henkes. Mijn vader werd ontslagen, hij was ‘overtollig’ geworden. Gekrenkt was hij tot in het diepst van zijn ziel. Vijf jaar daarvoor waren we verhuisd van Schiedam naar Gelderland en had hij juist promotie gemaakt. Hij was hoofdvertegenwoordiger geworden van een groot rayon. En dan opeens, overtollig. Achteraf gezien bleek hij weg gepromoveerd.
Hij was totaal verstrengeld met zijn werk. Het was zijn leven, zijn identiteit. Logisch als je direct na de lagere school al begonnen bent met werken. Er was in die tijd geen oog voor het leed dat zo’n ontslag teweeg bracht. Mijn vader ging door een lang en pijnlijk proces van (onbegrepen) rouw en (non)acceptatie. Hij verzette zich hevig tegen de (onrechtvaardige)ontslagregeling en vocht die aan met hulp van een advocaat. Hij raakte erdoor geobsedeerd en kon jarenlang nergens anders meer over praten dan over het onrecht dat hem na zoveel jaren trouwe dienst was aangedaan. Ik was een puber toen hij ontslagen werd en stortte mij in het vriendjescircuit om aan de sfeer thuis te ontsnappen. Het was geen leuke tijd om mee te maken.

Mijn vader is altijd blijven worstelen met het feit dat hij nu ‘niets’ meer was. Anderen gingen naar hun werk en hij ‘zat maar thuis’. Nu zou er zoveel meer hulp voor hem geweest zijn. En begrip. Toen ergerden we ons aan dat voortdurende gepraat over ‘onrecht’. Nu zou het nog niet makkelijk zijn maar misschien zouden we meer gereedschap in handen hebben om hem te helpen ermee om te gaan. We zagen alleen een geestelijke kant, hij moest meer vertrouwen hebben in God. De psychologische kant werd niet benoemd, bestond niet.
Vooral mijn moeder heeft het er zwaar mee gehad. Mijn vaders gezondheid kreeg te lijden onder de permanente stress van boosheid, frustratie en verdriet. Zijn maag speelde op, hij rookte veel en ontwikkelde longemfyseem, hij had een zwakke rug, die hem, ook door de stress, steeds meer parten speelde… Hij sliep slecht en was prikkelbaar.
Het waren donkere jaren voor hun beiden.

Betere jaren

Op den duur ging het wat beter. Mijn vader hield ervan met zijn handen te werken, dus hij was veel en vaak en lang in de tuin te vinden, wat hem goed deed. Zelfs met hout is hij aan de gang gegaan. Hij heeft een aantal boekenkasten voor de familie getimmerd die een eeuwigheid zullen meegaan; en een kastje voor aan de muur in de babykamer bij de geboorte van onze zoon. Het hangt nu bij een van zijn kinderen. Zo hervond mijn vader zichzelf weer wat. Zijn gezondheid bleef precair. Hij overleed relatief jong, net na zijn verjaardag op 12 november, op 71 jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Een kort ziekbed, gelukkig! Ik mocht erbij zijn toen hij stierf, hoewel ik in die tijd in Zuid-Korea woonde. Op tijd gewaarschuwd heb ik de laatste weken van zijn leven nog mee mogen maken, samen met onze jongste, die aan zijn sterfbed nog haar eigen versie (ze was drie en sprak nauwelijks Nederlands) van God heb ik lief heeft gezongen.

Mijn vader was een gelovige man. Hij zong altijd uit volle borst in de kerk en zette, tot onze grote ergernis in die tijd, op zondag orgel- en koormuziek op. En ging dan meezingen. Kwamen we net uit de kerk, moesten we wéér luisteren naar kerkmuziek. Voor ons als tieners teveel van het goede. Ons gemopper zorgde er dan voor dat hij de plaat maar weer uitzette. Ik schaam me daar nu voor…arme Pa…Zingen was voor hem de manier om zijn geloof te uiten. God was goed, ondanks alle onrecht dat hem was aangedaan.
Op zijn begrafenis hebben we psalm 90 gezongen.

Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven

en laat uw glans hun kinderen omgeven.

Zie op ons neer met vriendelijke ogen.

O God, bescherm ons in ons onvermogen.

Bevestig wat de hand heeft opgevat,

het werk van onze hand, bevestig dat.

Rouw doet gewoon pijn

Als de jaren voorbij gaan

Ik denk de laatste tijd veel aan mijn oudste zus Loes, die na jaren van ongelukkig zijn, vergeefs zoekend naar eigen innerlijke kracht, een einde aan haar leven maakte. Het is 29 jaar geleden in juni. 10 maart zou ze 74 jaar geworden zijn. Loes en ik scheelden acht jaar. Toen ze stierf was ik 37 en zij was 45. Ik was jong. Het jongste zusje. Die positie verandert nooit, ook niet wanneer je volwassen bent. Maar wanneer iemand sterft, en jij wordt veel ouder (ik ben nu 66) gebeurt er iets raars. Zij is nu zoveel jonger dan ik. Nu is ze net zo oud als mijn oudste dochter. En ik denk, wat was ze nog jong! En mijn hart doet opnieuw pijn om haar leven en om wat ze niet meer heeft kunnen beleven.

Rouw om wat er niet meer zijn zal

Dat is een van de gezichten van rouw die ik veel beschreven zie in artikelen en boeken, zoals in het prachtige, fijnzinnige en hartverscheurende boekje van P.F. Thomése over de dood van zijn dochtertje als baby van een paar weken oud. Hij kan als geen ander verwoorden wat rouw is. Niet alleen het acute gemis, maar de pijn om wat er nooit was, is en zijn zal. Maar waar je wel op hoopte. Blijkbaar. En naarmate de tijd vordert stapelen die verlieservaringen zich op. Voor een ouder die een kind verliest zó pijnlijk. Niet het eerste lachje van herkenning, niet de eerste woordjes, niet de eerste stapjes en dat gaat zo een leven lang door. Hij/zij zou nu ..-Verlies. Minder rauw wellicht door de jaren heen. Maar toch op gezette tijden steeds weer die mokerslag. Die ervaring wordt nog wel eens vergeten door anderen die (nog) niet door rouw om (jong) gestorven geliefden zijn heen gegaan. Het geldt evengoed voor wie een partner verliest of een ouder. En ook, zeker, voor wie nooit ouder werd of nooit een partner vond. Ook daar is sprake van verlies en rouw, terwijl er nooit een kind of partner was. Dan is het verlies van hoop, een verlangen, een droom. Wat er niet zal zijn kan soms evenveel pijn doen als missen wat er was.

Wat er niet zal zijn kan evenveel pijn doen als missen wat er was.

Herinneringen

Ik heb vaker over mijn zus Loes geschreven. Het gesprek met koningin Maxima waarin ook haar zusje Inés ter sprake kwam bracht Loes weer zo dichtbij dat ik de behoefte voel om over haar te schrijven.

Loes was een zeer intelligente vrouw met een scherpe geest (en tong). Loes deed, als enig meisje, gymnasium B maar ging na haar examen werken als leerling laborante bij Shell, omdat ze zou gaan trouwen. Studeren werd niet verboden, maar ook niet aangemoedigd in ons gezin, denk ik. Mijn vader wantrouwde de universiteit omdat het tot geloofsverlies zou leiden. Wellicht was er ook sprake van financiële barrières? We waren een typisch middenstandsgezin. Hoe dan ook, Loes trouwde met haar jeugdliefde en na verloop van een aantal jaren is ze alsnog gaan studeren. Haar man studeerde in Delft. Zij Nederlandse letterkunde in Leiden. Ik herinner me dat ik voor het eerst iets met haar deelde, namelijk liefde voor taal en boeken. Verder was ik als acht jaar jonger zusje ten diepste bang voor haar. Tegen haar woorden was ik nooit opgewassen en haar temperament beangstigde me. Ze was opvliegend en gauw geïrriteerd. Althans, in mijn beleving. Bij mijn vader riep ze regelmatig woede op en bij mijn moeder een gevoel van machteloosheid, beiden omdat ze haar niet konden weerspreken als ze weer eens een reden had om iets wel of niet te willen doen. Dat leidde tot een ruzieachtige sfeer in het gezin die mij veel angst bezorgde.

Haar eerste man, Gert, vriendje vanaf haar veertiende, was (opnieuw in mijn herinnering) een zachter iemand. Met humor. Wat gesloten. Allengs ontstonden er spanningen in het huwelijk. Mijn zus bewoog zich weg van kerk en geloof. Hoe dat met mijn zwager zat weet ik niet. Alleen weet ik dat hij moeite had met haar nieuwe opvattingen over vrijheid en feminisme. Dat vertelde ze me ooit. Mijn zwager raakte depressief en kreeg behandeling. Werd opgenomen, slikte medicijnen. Midden jaren zeventig weet ik nog dat ze er veel op uit gingen, om weg te zijn van hun bovenwoning in Schiedam, om door de fietstochten afleiding te zoeken. Het was een moeilijke tijd voor beiden.
Het huwelijk liep uit op een scheiding. Ondertussen was Loes lerares Nederlands geworden aan een gymnasium.

Ook haar tweede huwelijk hield geen stand. Dit maakte ik niet mee van dichtbij. Haar tweede man heb ik nauwelijks gekend omdat wij in die periode in het buitenland woonden. Bij een verlof zagen we haar en ik herinner me nog altijd goed hoe lastig ik het vond die eerste paar keer om haar te zien. Ze wilde lange en diepe gesprekken en ik was nog niet zo ver om heel erg naar mezelf te kijken. Ik was vooral vrouw en moeder en het wonen in Korea en het leren van de taal gaven me voldoening en zelfvertrouwen. Ik was niet bezig met ‘zielenroerselen’, zoals zij. Ze was ook niet gelovig en had allerlei opvattingen die ik niet deelde maar ook niet goed kon weerleggen…Kortom ze maakte me erg onzeker en moe.

Kentering

Toen ik ernstig ziek werd in Korea in 1986 en daar in het ziekenhuis lag heeft ze mij verzorgd. Ze was ‘toevallig’ op vakantie bij ons en heeft haar vlucht terug uitgesteld. In die periode is er voor het eerst een echte band tussen ons gegroeid. Ik voelde me een gelijke, voor het eerst in onze relatie. Mijn eigen zelfvertrouwen was blijkbaar zo gegroeid dat ik me niet langer door haar bedreigd voelde. We hebben veel gelachen samen. Echte zussen waren we. Ik heb er hier over geschreven. En hier.

Rouwen kun je niet alleen

Vijf jaar eerder was mijn zwager omgekomen bij een tragisch ongeval waarvan we nooit zullen weten of zijn val in een diepte in Frankrijk een zelfgekozen val was of niet. Ik heb geen afscheid kunnen nemen en ook niet bij zijn begrafenis kunnen zijn omdat we in Korea woonden. Toen heb ik geleerd dat rouwen op je eentje niet kan. Niemand kende hem in mijn naaste omgeving. Alleen mijn echtgenoot, maar ook niet zoals ik hem vanaf mijn jonge kinderjaren kende. Ik herinnerde me geen tijd dat hij er niet was. En nu was hij dood, begraven en weg en ik ben volgens mij niet eens bij zijn graf geweest tijdens het eerste daaropvolgend verlof. Zo niet bestaand leek alles.

Wat is de juiste hulp?

In 1988 keerden we terug naar Nederland waar ik een zieke, diep depressieve zus aantrof. Ik heb zóveel uren tijd besteed aan het luisteren naar mijn zus. Hoe te helpen? Ze draaide al jaren mee (a raison van F300 per maand) in een alternatieve psychologenpraktijk van ene Godefrieda Hoogenraad-Obermann (inmiddels overleden), die predikte dat we in onze kracht moeten leren staan. Godefrieda werd, bedoeld of onbedoeld, haar goeroe. Loes was anti medicijngebruik, zeer gekant tegen het GGZ hulpverlenerscircuit. Het ging om eigen innerlijke kracht aanboren. Hoe wij ook probeerden, de GGZ was taboe. Terwijl wij haar achteruit zagen gaan.

Op het laatst toen ze in een crisisopvang-gezin zat (goede vrienden van ons) is ze zich gaan realiseren denk ik, dat er geen andere mogelijkheid meer was dan professionele hulp te zoeken. Die keuze heeft ze niet willen maken. Na haar (voor nabestaanden zeer traumatiserende) dood vonden we in haar flat het telefoonboek geopend bij de (psychiatrische)Joriskliniek in Delft. Heeft ze nog gebeld?

Zoveel emoties

En dan kom ik weer terug bij Maxima die in het interview zei, dat rouw na zelfdoding van een geliefde gecompliceerde rouw is. Zij en haar familie hadden zóveel gedaan om te helpen. Maar was het de juiste hulp geweest? Had het misschien anders gemoeten? Meer, minder? Je zult het nooit weten. Daarbij is er een enorme mix aan emoties na zo’n gebeurtenis. Pijn. Machteloosheid, boosheid, verdriet. Niet alleen voor jezelf maar voor je vader, je moeder. Het is immers het ergste wat een ouder overkomen kan?

Rouw is altijd ingewikkeld. Dat weet ik inmiddels. Verdriet, gemis om iemand kan op de raarste momenten opeens weer oplaaien. Er is geen fasering en dan langzaam niets meer. Ik weet het van vriendinnen die hun partner verloren. Soms al bij leven door Alzheimer. Het intense gemis kan zomaar oplaaien.

Hevig bewogen

De hevige emotie die Jezus voelde bij het graf van Lazarus. Het staat aangrijpend beschreven in Johannes 11. Ik begrijp dat er in het Grieks staat dat hij ‘hevig bewogen, verbolgen’ was. Dat is wat de dood teweeg brengt. De dood van mens en dier. Ik zag het de afgelopen dagen weer hier bij me thuis. Plotseling lag geliefde kat Ollie dood in de tuin. Hij had een hartafwijking, dat wisten we, maar toch. De tranen gestort om zo’n klein, weerloos dier geven iets weer van de hevige emotie die Jezus voelde bij het graf van Lazarus. Die dood is een vijand. Hij ontregelt het leven en laat je ontredderd achter. Iedere keer weer. Waar is Inés nu, vroeg Matthijs van Nieuwkerken aan Maxima. Ze wist het niet. Jammer, want er is meer troost dan dat ze ‘vast op een plek is waar ze rust heeft’. De belofte van overwinning op die afschuwelijke dood is er. Eens, ooit. Het bewijs? Jezus van Nazareth Zelf. Dat vraagt vertrouwen. Wat zo ontzettend op de proef gesteld kan worden. Maar die twijfels hebben we gemeen met mensen uit het nieuwe testament. Ga dan praten met die en die, zegt Paulus. Of met die 500 mensen die nog in leven zijn en die Hem zelf gezien hebben (1 Korintiers 15:6). Het is geen sprookje, zegt Petrus (2 Petrus 1:16). Jezus was kwaad op de vijand dood en heeft laten zien dat Hij sterker is.

Ik wil dat geloven en me er door laten sterken.

Er is hoop. Ook na de dood.

Wees even stil

Vandaag is stille zaterdag. Met alle drukte in de winkels en keukens, ter voorbereiding op een vrolijk Pasen, is dat moeilijk voor te stellen. Voor veel mensen is er juist stress. Boodschappen doen, menu’s bedenken, alvast bakken en koken. Tijd voor bezinning ontbreekt.

En toch. Sta eens stil bij de dood vandaag. Ja, dat is wel even heel wat anders dan je voorbereiden op een vrolijk lentefeest. Het klinkt wat macaber.

En toch. Stille zaterdag is stil omdat die volgt op Goede Vrijdag. De dag dat Jezus de marteldood stierf aan het kruis en snel in een graf werd gelegd omdat er op sabbath geen doden aan een kruis mochten hangen. Hij is dood, begraven en het wordt doodstil om Hem heen. Er is verdriet. Er is onbegrip. Waarom moest Hij zo sterven? Wat nu? Wat moeten we nu met ons leven? Zijn beste vrienden rouwen en verkeren in choque.

Jezus zwijgt. Hij is dood. Alle hoop op een betere toekomst met Hem als Koning, bevrijdt van de gehate Romeinen, is vervlogen. De diepe ontgoocheling bij zijn volgelingen is tastbaar. Die herken je als mens maar al te goed. De dingen die mislukten. De ziekte waar je totaal niet op gerekend had en je hele leven op zijn kop zet. De relatie die stuk loopt ondanks alle inspanning. De dood van iemand die je zo lief was. Waarom? Waarom nu? Waarom zo?

Met alle vrienden van Jezus is het goed om er weer bij stil te staan dat het leven breekbaar is en veel tegenslag kan brengen. Dat doet pijn.

Maar als je dan op Paasmorgen wakker wordt en de opgestane Jezus in de ogen kijkt beleef je het wonder van de vrolijke verbazing intens. Hij lééft! De dood heeft het niet gewonnen! Onze hoop en onze dromen waren niet tevergeefs. Hij is er bij. Voor altijd en geeft ons als cadeau vergeving, en een leven met Hem door de dood heen.

Vandaag is het doodstil.

Morgen breken we uit in gejuich!

Jezus is opgestaan. Hallelujah.

Westerbork, Frederiksoord en lessen over vrijheid

Het vergaat mij met schrijven als met bewegen. Hoe minder ik het doe, hoe minder zin ik heb. Het bevestigt dat ik van nature enigszins tot luiheid aangelegd ben. Geef me een goed boek, een goeie film en een lekkere zit- of ligplek en ik ben tevreden, met af en toe een kop koffie of thee. Ik zal nooit tot grootse prestaties komen daardoor. Ik heb lang mijzelf daar lichtelijk schuldig over gevoeld: ik zou toch meer moeten van dit of van wat anders. Sinds ik tot de senioren ben gaan horen heb ik een zekere rust gevonden. Ik heb mijn deel bijgedragen en het is wel goed zo. En dat is meestal wanneer de schrijfzin weer begint te borrelen. Ik hoef niet, ik mag.  

2021 is een jaar zoals ik er niet eerder heb meegemaakt. Het leerde me één ding, namelijk hoe vanzelfsprekend ik alles vond en deed. Naar de film, wandelen, en een kop koffie ergens drinken. Fietsen en een tosti eten. Uit eten met een bijzondere gelegenheid. Niet dat ik niet dankbaar was voor veel leuke dingen, maar ze hoorden er zo bij dat het onvoorstelbaar was dat we op een dag alleen nog naar de super konden voor een ‘uitje’.. 

Dinsdag vertrokken we voor het eerst sinds maanden voor een ‘groots’ uitje, naar Drenthe, een nacht in een hotel en bezoeken aan twee plekken die al jaren op mijn lijstje stonden. In het voorjaar ter ere voor mijn 65e verjaardag gepland met het hele gezin, maar noodgedwongen geannuleerd. Westerbork, het voormalig concentratiekamp van waaruit vele duizenden Joodse landgenoten naar de vernietigingskampen in Duitsland en Polen werden gebracht en Frederiksoord, een van de Koloniën der Weldadigheid uit het begin van de 19e eeuw.

De bezoeken waren vanwege de situatie uiteraard beperkt. De musea zijn dicht. maar de terreinen zijn toegankelijk en in feite was het me daar ook om te doen in de eerste plaats, de beleving. Een museumbezoek helpt daar natuurlijk ook aan bij, door films en achtergrondinformatie, maar op dit soort historische plekken vind ik rondlopen en een poging wagen me voor te stellen ‘hoe het was’ indrukwekkender. Hoewel dat onmogelijk is.

Bij Westerbork parkeerden en liepen de 30 minuten naar het terrein van het kamp. Het was koud, maar helder. De lucht was blauw met hier en daar een wolk. Soms scheen de zon even fel over het mooie winterlandschap. De grond is er zompig en nat, grote plassen hadden zich de laatste weken gevormd en het zonlicht spiegelde erin. Felgroen gekleurde mossen, hele velden met hoge, gouden grassen, bruggetjes over kabbelende beekjes. Het was een prachtig vakantielandschap. Hoe kwamen de Joodse gevangenen hier aan vroegen we ons af? Liepen ze door dezelfde bossen? Misschien met het idee dat alles nog wel mee zou vallen? In zo’n omgeving?

Het contrast tussen de liefelijke omgeving en de gruwelijk gebeurtenissen die zich er hebben afgespeeld is moeilijk te vatten. De wanhoop van mensen die vanuit hun eigen huis en haard gedumpt worden in een schuurachtig verblijf waar ze met tientallen in één ruimte opgepakt zitten. Het verdriet van een moeder die geen afscheid heeft kunnen nemen van haar kinderen.

Fragmenten uit brieven van kampbewoners zijn uitvergroot te zien achter plexiglas op grote panelen op het terrein.
.

We gaan morgen verder

We gaan morgen op reis

Ik houd me flink

We hopen op een goede afloop en elkaar na de oorlog weer te zien

Er spreekt zoveel moed uit die briefjes. Vooral als je oog in oog staat met de wagons waarin die reis dan werd gevoerd. Hoe vaak heb ik die niet gezien op foto’s en op TV? Maar nu ik er zelf voor sta, de manshoge wielen. De stalen schuifconstructie waarmee de wagon hermetisch werd afgesloten

Het meest ben ik onder de indruk van de woning van kampcommandant Gemmeler. Een leuk, groenhouten landhuis met een veranda en serre. Ik zou er zo willen wonen. Het kijkt uit over het uitgestrekte kampterrein, waar vroeger de barakken stonden en het kampleven zich afspeelde.
Het huis is nu zelf gevangen onder glas. Opdat het blijft bestaan, als aanklacht. Zo gewoon was het kwaad.
Op een zomerdag zag men vanuit het huis, tijdens de koffie in de serre, de wagons vertrekken met kinderen, zieken en oude mensen. Ze deden de ramen maar even dicht om het geschreeuw niet te horen (wat een lawaai zeg!). Bij het tweede kopje was de rust weer teruggekeerd.
Zo stel ik me het voor.

Voormalig woonhuis kampcommandant

Dertigduizend Joden en tweehonderdvijfenveertig Sinti en Roma zijn vanuit Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Van de Sinti en Roma hebben dertig het overleefd. De beruchte foto van het meisje met de hoofddoek die door een kier van de deur naar buiten kijkt is een Sinti meisje, Settela Steinbach, en ze vertrekt hier met haar moeder en broers en zussen vanuit Westerbork. Ze is in Auschwitz-Birkenau vergast in juli 1944

Telefoon van de Wind

Ik heb nog nooit Zomergasten gekeken (te lang voor mij). maar ik check vaak wel welke (gedeeltes van) films en docu’s worden getoond op verzoek van de gast. Die zijn meestal de moeite van het bekijken waard.
Zo maakte de titel van de documentaire waar de laatste gast Nazmiye Oral een gedeelte uit liet vertonen, The Wind Phone, me nieuwsgierig.
Een witte, glazen telefooncel, met daarin als enige attribuut een zwarte, bakelieten telefoon, niet aangesloten, waarmee mensen hun gestorven geliefden ‘bellen’?
Ik had ergens al mijn oordeel klaar.. zielig, toch?

En toen.
De documentaire ontroerde me tot in het diepst van mijn ziel.
Op een prachtige plek, buiten Otsuchi, Japan, op een heuvel met uitzicht op de zee, staat de telefooncel. In de lente omringd door bloeiende bomen, in de winter bedekt met een dikke sneeuwlaag. Het hele jaar door komen er duizenden mensen om te ‘bellen’. Aanvankelijk neergezet door de eigenaar van de grond, is de plek nu toegankelijk voor iedereen. Ontwerper Itaru Sasaki bouwde de cel na de tsunami in 2010. De stad Otsuchi werd keihard getroffen door de tsunami. 800 doden en nog steeds honderden vermisten. Itaru Sasaki verloor zijn neef en zocht een manier om met het gemis om te gaan.
Via de telefoon sprak hij met zijn geliefde neef en liet het gesprek meedragen door de wind.

De documentaire is vijf jaar geleden gemaakt. Nabestaanden gaven toestemming om de gevoerde ‘gesprekken’ mee te luisteren via een microfoontje in de telefoon. Het verdriet van de nabestaanden is nog vers en rauw. Eerst voel je je een voyeur, maar gaandeweg word je meegenomen in de verhalen van een aantal mensen die worden gevolgd.

Het meest raakte mij het verhaal van een gezin, moeder met drie tieners. Het gezin woonde niet in de stad zelf. Vader was vrachtwagenchauffeur en reed op het moment van de tsunami in Otsuchi. Er is nooit meer iets van hem vernomen. De oudste zoon reist drie uur met het OV naar de telefoon om tegen zijn vader te praten. De opgenomen gesprekken zijn maar kort maar je voelt mee met de opgekropte emoties, het intense gevoel van verlies en verdriet. Maar ook iets van opluchting.

Later zien we de zoon terugkomen met moeder, broer en zus. Ze vertellen voor de camera hoe ze nooit met elkaar gesproken hebben over het verlies en hun verdriet. Maar op aandringen van de oudste zoon zijn ze nu ook gekomen om via de telefoon wat te zeggen. Het meisje is gesloten en heeft zelfs nooit meer de naam van haar vader genoemd.

‘Wat moet ik zeggen’, vraagt ze giechelend aan haar broertje van twaalf, die mee naar binnen gaat. Als steun.
‘Gewoon’, zegt hij wijs, ‘wat is het laatste wat je hem nog had willen vertellen? Wat zou je zeggen als je hem nu zag?
Dan komt er een stortvloed van tranen en verhalen los.
‘Sorry Pap, dat ik altijd zei dat je stonk’ snikt ze.
‘Én ik zit op tennis nu!’ Minutenlang deelt ze alle tienerervaringen van de afgelopen jaren. Huilend en lachend tegelijk.

Het is voor de hele familie een catharsis moment. Voor het eerst samen huilen en ook weer samen lachen.

Zo zijn er meerdere mensen die hun vrouw, hun zoon, hun vader, verloren. Sommigen vragen zich af hoe ze nog langer door kunnen gaan. Rouw in de meest pure vorm. Zonder commentaar, zonder woorden van troost. Maar het spreken helpt het verdriet en emoties te uiten wat zeker in de Japanse cultuur moeilijk is.
Een vrouw is er voor het eerst, meegenomen door haar twee vriendinnen. Je ziet dat het haar oplucht, ook om haar tranen te tonen aan de vriendinnen

image: steemit.com

Het kwam heel diep bij me binnen. Ik denk dat deze vorm van rouwverwerking vooral zo ‘werkt’ bij de rouwenden omdat er sprake is van een traumatische dood of vermissing. Men heeft geen afscheid kunnen nemen. Geen gelegenheid om nog juist dat ene te zeggen of te vragen. Het doet je weer zo beseffen hoe intens belangrijk het is om bij leven die dingen niet ongezegd te laten.

In therapie wordt de methode van het brieven schrijven wel gebruikt. Ook een hele aangrijpende manier om nog eens onder woorden te brengen wat je beweegt. Maar deze ‘telefoon’ maakt het nog indringender. Mensen draaien ook het (oude) nummer van degene met wie ze willen spreken. Ik moest denken aan mijn zus Loes, die zichzelf het leven benam. Wat zou ik tegen haar zeggen? En dat onder woorden brengen (met tranen) gaf toch weer lucht aan de pijn die ik altijd met me meedraag, dat ze zo alleen en ellendig gestorven is. Zo lang geleden al, maar even was ze er weer. Het gaat niet om schuldig voelen, maar puur om de pijn dat we er niet altijd ten volle kunnen zijn voor elkaar. Twee dingen vonden plaats. Het ervaren van die pijn, die het grootste deel van de tijd in een hoekje van mijn hart zit. Maar ook het besef hoe lief ze me was. Nu kan ik dat beide weer ervaren.

Ik wil mijn kleine leed niet vergelijken met het grote leed van deze nabestaanden. Ik vertel het omdat het me zo trof dat het echt een manier van rouwverwerken is. Ik kom uit de christelijke traditie waarbij de overledene in de hemel is, het daar goed heeft (geloof ik trouwens nog steeds) en dat troost de nabestaanden. En ook dat is waar. (Die troost lijkt te ontbreken voor de Japanse nabestaanden, ze weten niet waar hun geliefden zijn). Die overtuiging leidde in het verleden ertoe dat er weinig aandacht besteed werd aan rouwverwerking. De troost van de hemelse verblijfplaats werd geacht afdoende te zijn. Ook een gang naar het graf werd niet gestimuleerd, vanuit de gedachte dat de persoon daar niet meer was, dus is dat zinloos. Mijn moeder’s vader wilde niet eens een naam op zijn grafsteen. Ik kan me dan ook niet herinneren dat wij ooit de graven bezochten van opa’s en oma’s. Dat was ‘Rooms’ en dus niet goed.

Inmiddels is er meer aandacht. Zijn er meer rituelen. Bezoekt men graven, legt er bloemen. Alles om uiting te geven aan gemis en liefde. De blog Floreat Semper, van Frouckje van de Wal is er een mooi voorbeeld van.

Foto https://jeltephoto.com

Zeker bij traumatische sterfgevallen waarbij er geen afscheid genomen kon worden van een geliefde, of bij langdurig vermisten, is deze Telefoon van de Wind een krachtig ritueel.

En troost komt van de God die ons klagen hoort. Dat geloof ik.
Hij bewaart onze tranen in Zijn fles.
Die Zelf de meest traumatische dood stierf zodat ons klagen niet verwaait met de wind, maar gehoord wordt in de hemel.

2011 after the tsunami. © The Yomiuri Shimbun/AP

Afscheid nemen – alweer

Naarmate ik ouder word begint het aan te tikken, de keren dat ik afscheid moet nemen van geliefden. Het afscheid nemen van ouders, wederzijds, is onvermijdelijk. Hoewel je er toch nooit echt op bent voorbereid wanneer het ogenblik daar is, heb ik wel ervaren. Veel bleef ongezegd en vragen onbeantwoord. En missen doe ik ze zeker bij tijden.
Het overlijden van mijn beide zwagers was moeilijker omdat ze beiden als oudere broers waren voor me en jong stierven. 35 en 46 jaar waren ze. Te vroeg. Te jong. Mijn oudste zus stierf eveneens jong, op 46 jarige leeftijd. Haar zelfgekozen dood liet een kras achter op mijn ziel die bij tijden pijnlijk opspeelt. Ik moest weer aan hen denken vanwege het overlijden van een goede vriend, na een kort, maar hevig ziekbed. Het sterven van een geliefde is als een stortbui die de grond los woelt en bovenlagen wegspoelt.

Ik herlas sommige van mijn blogs over rouw en verdriet na het sterven. Ik werd getroffen door wat ik schreef na het overlijden van mijn schoonmoeder. Op verzoek van mijn schoonvader hebben we toen direct alle sieraden, sieradendoosjes, kleding en andere persoonlijke dingen uitgezocht en verdeeld. Het voelde ongepast, zo snel, maar mijn schoonvader was pragmatisch. Met het gezin verspreid over Amerika en Nederland zou er niet gauw een gelegenheid komen dat we weer allemaal bij elkaar zouden zijn.

Blanca’s sieradendoosjes

Op een gegeven moment word het opruimen mij teveel en ga ik wandelen om meer grip te krijgen op mijn emoties. Ik zit wat op slot en schrijf dan het volgende:

Ik dacht aan alle sieradendoosjes die door mijn handen waren gegaan. En ik realiseerde me dat  deze wandeling, dit alleen zijn met het water, me eindelijk bij het doosje bracht wat nog dicht zat, maar (knarsend en wel) open wilde. Ergens in een kamer van mijn ziel bewaar ik dat doosje met het verdriet om geliefden die al eerder stierven. Het verdriet om Blanca kon ik pas ervaren als dat deksel er af kwam.  Dat gaat meestal moeizaam, want de inhoud is  donker. Ik voelde echter aan mijn lijf dat het gebeuren moest.

Ik ben dus maar gaan zitten met het weidse uitzicht op het water en heb het ondergaan. Het verdriet om de geliefden die ik mis. Niet altijd bewust, maar wel op de achtergrond. Sommigen veel te jong gestorven. Het is uiteindelijk de pijn om de vergankelijkheid van het leven. De pijn omdat het altijd weer op sterven uitloopt. Op afscheid nemen en ‘afgesneden zijn’ (Vasalis). De schreeuw uit de diepte van psalm 130. Even geen uitzicht hebben op Pasen.

Dat, dat doosje-met-inhoud, dat ging vandaag weer open. Na het sterven van die goede vriend, een week geleden. Verdriet is zo complex, zo onontwarbaar.

Misschien is het de hoeveelheid liefde wel die de schade van verlies en pijn beperkt en omdraait. Liefde niet als zoetig sentiment, maar liefde zoals God die voorleefde. In mee- lijden, in mee-voelen, in mee-dragen, in mee-huilen, in mee-booszijn. Was Jezus niet geweldig kwaad ook op de dood, toen Hij bij het graf van zijn vriend Lazarus stond?

Rouwen is blijkbaar nooit helemaal over. Het verdriet verraste me. Het is raar dat het moeilijk blijkt mezelf toe te staan dat te ervaren. Ik kom aan met argumenten waarom het allemaal zo erg niet is. ‘Lang geleden’, ‘maar een vriend’ enzovoort.

Maar gevoelens zijn er. Die redeneer je niet weg. Dus ik laat de rouw maar weer even toe. Om mijn vader en moeder, om Blanca, om Gert, om Hemmo, om Loes. Om Jonathan en Tristan, twee jongetjes uit de gemeente die we als baby’s in een grafje moesten achterlaten, wat me diep heeft aangegrepen. En om Guust. Om het ingrijpende van de dood. Om het gemis. Om wat hier op aarde er niet meer zal zijn. En ik ben ook kwaad omdat het steeds weer op afscheid nemen uitloopt. Overal en bij iedereen. Kan het nou eens afgelopen zijn?

Dat Lazarus uit zijn graf kwam lopen is de hoop onder mijn bestaan. Hij is weer gestorven, dat is waar. Maar Zijn goede vriend Jezus niet. Door Hem konden we Guust zachtjes aan zijn sterfbed toezingen:
Ga met God en Hij zal met je zijn,
in Zijn liefde jou bewaren,
in de dood jouw leven sparen
Ga met God en Hij zal met je zijn

Ooit komt die tijd van nooit meer afscheid hoeven nemen.

Liefde en lastigheid

strip van http://www.sigmundonline.nl tekenaar Peter de Wit

Ik loop al een aantal maanden op met een naaste die een rottijd heeft. Allerlei persoonlijke omstandigheden maakten dat het draadje knapte en het kost dan altijd veel tijd om het weer aan elkaar te knopen.
Wat doet dit met mij? Allereerst kan ik wel zeggen dat het een dagelijkse les in nederigheid is. Waar je als mens de neiging hebt bij een probleem in oplossingen te denken besef je bij psychische pijn dat die oplossing er echt niet zomaar is. Ongelukkig zijn, van een ander, of jezelf, is moeilijk te verdragen. Het is als lichamelijke pijn die het functioneren belemmert. Alleen is er bij fysieke pijn meestal de (relatieve) troost van pijnstilling, slaap, het ontzorgen van degene die pijn lijdt. Bij psychische pijn is dat een stuk moeilijker. Alles is immers verstoord. De slaap ontbreekt of brengt nachtmerries. Het vermogen troost of steun te ervaren is afwezig. Het kunnen genieten van kleine dingen is er niet. Angst of somberheid overstemt alles. Alles is uit het lood geslagen en hulp lijkt buiten bereik. 

De taak van wie optrekt met degene die pijn lijdt is dus heel beperkt en bestaat meer uit niets doen dan van alles bedenken. Toch is mee-lijden niet passief, heb ik wel gemerkt. Integendeel, er zijn voor de ander is in feite heel actief, het vereist namelijk concentratie en wilskracht. Het is meer dan lichamelijk aanwezig zijn.  Met hart en ziel er zijn is een inspanning. Want mijn hart en ziel zijn snel afgeleid. Er is namelijk van alles te doen. Binnenshuis en buitenshuis. Maar die ander heeft het nodig dat ik luister. Steeds weer luister. Gehoord worden en gezien worden is als pijnstilling voor ieders ziel. Ik weet het uit eigen ervaring. In donkere tijden voor mezelf waren er een paar mensen die ruimte maakten om te luisteren en door te vragen. En steeds daarna voelde mijn last wat lichter. Soms maar even, maar toch…

Het zware delen, verdriet tonen ook wanneer je denkt dat het nergens over gaat, het is de eerste stap op weg naar heling. En toch is dat vaak zo moeilijk voor ons. We oordelen streng over onze gevoelens.
‘Ik heb geen reden tot verdriet’.
‘Anderen hebben het zwaarder dan ik’.
‘Het is mijn eigen schuld’. 
‘Ik wil een ander niet tot last zijn’.
‘Ze zullen me zwak vinden’.

Zoveel redenen waarom we alles inslikken en een buitenkant tonen die als een masker is. Waarachter we soms langzaam stikken als we het te lang dragen. We hebben het zo nodig dat we regelmatig ons masker kunnen afzetten en bij vertrouwelingen gewoon kunnen zeggen dat het leven best wel zwaar kan zijn. Dan krijgen we weer even lucht en kunnen we verder. In een interview over zijn boek Liefde zegt Dirk de Wachter (Vlaams psychiater) het zo:

Dat is mijn volgende punt, maar misschien zeg ik nu hele rare dingen. De liefde toont zich niet alleen in de gewonigheid, maar ook in de lastigheid. En dan heb ik het niet over grote drama’s, maar over een functioneringsgesprek, waarin je niet erkend wordt voor het werk dat je gedaan hebt. Je baas is ontevreden. Je komt thuis, in zak en as, gekwetst in je rechtvaardigheidsgevoel, en je geliefde luistert, toont zich begripvol. Daarin laat de liefde zich ten volste zien. Juist in die lastige momenten hebben we elkaar nodig. Dan toont zich de hoge nood van de mens aan verbinding, aan iemand om bij te zijn. Als alles goed gaat, dan kunnen we ons eigen plan wel trekken. In de leukigheid lukt het wel alleen, in de lastigheid veel moeilijker.’

Verbinding is het sleutelwoord. In de lastige tijden kunnen luisteren, begripvol zijn. Ook als alles overhoop ligt kan dat toch even verlichting geven. Het is geen oplossing. Het is niet het enige. Maar het betekent veel voor wie het moeilijk heeft. Het maakt het duister iets minder donker.

Maar ook ik als luisteraar ervaar dat het samen zijn in die donkere kamer het leven een bijzondere betekenis geeft. Het bevestigt als het ware mijn roeping om niet alleen voor mezelf te leven maar om metgezel te zijn op aarde. Zoals Jezus kwam om mee te lijden met mensen om in onze duisternis het Licht te zijn. Want dat is het. In de moeite van de ander herken je de moeiten van je eigen leven en samen breng je die last bij het kruis. Om samen kracht te ontvangen. Om samen weer struikelend op weg te gaan. Maar niet zonder hoop. Want Jezus heeft de moeiten en de dood overwonnen.

Dat hebben de afgelopen maanden me opnieuw geleerd. Dat geven ook ontvangen is!
(Lees bijgaand commentaar op deze afbeelding van de Barmhartige Samaritaan het verhaal dat Jezus vertelde in Lukas 10).

%d bloggers liken dit: