De Chelsea chop – weer een levensles uit de tuin

Wat verlang ik naar de groei van mijn zaailingen. Het hele proces van zaaien, opkomen van het zaad en het verspenen van de jonge prille, fragiele plantjes is spannend en kan frustratie geven. Zaad dat niet opkomt. Zaad dat wel opkomt maar na een paar dagen al op een veel te lang, wiebelend stengeltje staat. Of na een succesvolle ontkieming alsnog aan schimmel of rot bezwijkt. Ieder succes maakt mijn hart licht en blij. Iedere mislukking is drie keer slikken en opnieuw beginnen.

Maar dan. Het zaad is opgekomen. Het is met succes verspeend. Het is afgehard voor planting naar buiten. Met voorzichtige vingers vouw ik de plantjes met hun worteltjes in hun zwarte bedjes. Ik wacht een week, kijk natuurlijk iedere dag, en dan, jawel, ze slaan aan, ik zie de nieuwe blaadjes komen! Ik moet nog weer langer wachten tot de eerste knoppen verschijnen. Wat een gevoel van voldoening! Het is gelukt! Alle barrières zijn genomen, alle obstakels overwonnen. Het wonder gaat geschieden, de eerste bloemen gaan ontluiken!

Maar dan. Dan komt het meest pijnlijke moment. De handeling die het meest in mijn eigen vlees snijdt als het ware. Zal ik het maar overslaan? Gaan ze het overleven?

Dat gruwelijke ‘het’ is de Chelsea Chop!
Ooit van gehoord? Ik leerde erover in het befaamde Britse tuinprogramma Gardeners World van de BBC. Het was een uitzending over de, onder tuiniers, beroemde Chelsea Flower Show, die ieder jaar gehouden wordt in Engeland. Tuinontwerpers strijden om prijzen en stellen de meest prachtige en artistieke tuinontwerpen ten toon aan jury en publiek.

Photography by Gavin Kingcome

Een van de adviezen van de kenners om net zulke mooie, vol bloeiende planten te krijgen als op die flower show (haha…mocht je willen), was de zogenaamde Chelsea Chop. Hop, de snoeischaar in de groeiende stelen. Laat je ze gaan dan hou je armetierige, miezerige bloemstengels die maar met één bloem bloeien. Met een rigoureuze knipbeurt (wég, met alle net verschenen knoppen) van een derde van de plant kun je er zeker van zijn dat er een breed groeiende, bossige plant ontstaat. Het voelt als iets van mezelf afhakken. Eindelijk het punt bereikt waar ik zoveel moeite voor heb gedaan en dan, knip, weg…(voel je de levensles al aankomen?). Juiat datgene wegsnijden wat zo veelbelovend lijkt. Dat wat nou net lijkt te bevestigen dat al je moeite ertoe heeft gedaan. Er staat hier toch maar een bijna volwassen plant die uit een miniem zaadje is opgekweekt met al jouw aandacht en liefde en zorg. En het dan nu zomaar bijna halveren? Poeh!

Ik kon het niet helpen maar dacht toch verder na over de Chelsea Chop die we soms ook in ons leven moeten toepassen. Je kunt je (levens)tuin vol laten groeien met lange, dunne bloemstengels die bij de eerste storm plat liggen. Of met de schaar erin, terug snoeien en geduldig met vertrouwen wachten op de nieuwe, vollere bloei.

Je mag je eigen toepassing maken!

Dierenliefde in de familie

Angst voor poezen – nurture

Alle kinderen gaan volgens mij door een fase heen dat ze een hond, poes of ander huisdier willen. Ik was een jaar of zeven, acht, denk ik, toen ik een hond wilde. Er was geen denken aan, dat wist ik ook al voordat ik zelfs mijn verlangen uitte. Mijn moeder kwam uit een gezin waar huisdieren niet alleen niet geliefd werden maar, zoals zij er tenminste over sprak, met een panische vrees gevreesd werden. Ze kon het woord poes of hond niet eens uitspreken zonder er al een diep, angstige afkeer voor in haar stem te laten meeklinken.

Onze Tommy met gebruiksaanwijzing

Naar eigen zeggen had ze door haar moeder die angst gekregen. Die vertelde het smakelijk gruwelijke verhaal dat de familie rondgaat als ware het een oorlogstrauma, veelal aangedikt door eigen afkeer van beesten. Oma van Katwijk had vis gehaald en zou op straat zijn achterna gezeten door een kat. Heel snel was ze naar binnen gerend en had de deur met een klap dicht gegooid. Echter, de halsband van de kat, waaraan een riempje zat, was tussen de deur blijven haken, waarop de kat zichzelf verhing. In opdracht van ik weet niet wie, moest de kleine Sjaan met de dode kat naar boven (waarheen?) lopen, het arme beest voortslepend aan de riem. Ze kon zich haar hele leven het ‘bonk, bonkebonk’ van die dode kat op de traptrede herinneren als een nachtmerrie. Die ze doorgaf aan haar kinderen. Mijn moeder dus.

Ik heb het verhaal nooit helemaal gesnapt en het zal in mijn geheugen ook wel een eigen leven zijn gaan leiden. Hoezo naar boven met een dode kat? Waarom liep die kat met een touw om zijn nek? Zus Thea weet alleen dat oma in paniek ergens in een portiek schuilde, met het elastiekje van haar hoed ergens achter bleef haken maar haar hoed gewoon achter liet.

Anyway. De angst voor beesten zat diep en er kwam bij ons geen lopslopend dier het huis in. Een hamster en een kanariepiet is het enige wat ik me herinner. De hamster was tijdens de vakantie dood gegaan en de kanariepiet ging altijd keihard zingen als we gingen bijbel lezen en bidden en kreeg dan een doek over zijn kooi. We liepen niet over van dierenliefde, ben ik bang. Hoewel mijn vader wel een liefde voor katten had vanuit zijn eigen jeugd. Zijn moeder en zussen hadden altijd katten en ik weet dat mijn vrijgezelle tante op oudere leeftijd ook poezen buiten ging voeren. Dat werd natuurlijk als excentriek beschouwd.

Liefde voor dieren – nurture

Mijn wens naar een eigen hondje werd uiteraard niet vervuld. Ik mocht als compromis het hondje van mijn vaders baas uitlaten die een par straten verop woonde. Een kleine teckel. Ik kan het me nauwelijks herinneren dus het zal wel een bevlieging geweest zijn.

Ik trouwde echter met een man die was opgegroeid met katten en honden in huis. Wij begonnen ons huwelijk dus met de voor hem vanzelfsprekende aanschaf van twee kittens uit het asiel. Ik meende dat ik dat ook leuk zou vinden. Dat was echter een foute inschatting. De kittens waren speels en vonden het bijvoorbeeld heel leuk om zich te verstoppen onder de bank en als ik daar dan ging zitten opeens tevoorschijn te schieten en mijn voeten te omklemmen. Ik vond dat helemaal niet zo leuk als zij…ik mag wel zeggen dat ik me te pletter schrok van die onverhoedse bewegingen. Echtgenoot vond alles schattig, maar die was weg, terwijl ik de hele dag(ja, dit is nog in de tijd dat dit normaal was..) dus met de onberekenbare beestjes opgescheept zat. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bedongen heb dat ze terug gingen naar het asiel: – mijn vrouw is bang voor katjes- , moest echtgenoot met het schaamrood op de kaken bekennen.

Ik denk dat we in Korea, toen we daar woonden, weer begonnen zijn met poezen. Echtgenoot was er diep van overtuigd dat kinderen horen op te groeien met beesten die ze kunnen aaien en koesteren en waarvoor ze kunnen zorgen. Goed voor hun emotionele ontwikkeling. We hebben daar een hele serie poezen en katten gehad (en zelfs even een hondje) die echter allemaal aan rattengif stierven. Om ratten te bestrijden was er om de zoveel weken een ‘Dood De Rat-campagne’, waarop de bevolking enthousiast lekkere dingen buiten neerzette met, jawel, dodelijk gif erin.

Terug in Nederland zetten we de traditie voort, jonge katjes opnemen die deel van het gezin werden. Mijn angst had ik overwonnen, maar de diepe liefde die de rest van het gezin ontwikkelde ontbrak/-breekt bij mij. Waarschijnlijk moet je met dieren zijn opgegroeid om die te hebben. Tijdens hun puberjaren zag ik hoeveel warmte en affectie ze kregen en kwijt konden aan de poezen. Emoties die dan moeilijk te delen zijn met je vader en moeder. Dat is echt een enorm bonuspunt voor dieren in huis.

Het is niet alleen maar rozegeur

Ik ben ook helemaal voor, maar heb dan weer moeite met de zorg die het met zich meebrengt. Twee honden. De een kreeg al heel jong botkanker. De tweede ging bezoek bijten. En poezen. Die kunnen zo stinken…Het is misschien niet sociaal maar ik was en ben altijd blij wanneer ze naar buiten kunnen…Hoewel mijn geweten ergens blijft knagen voor wat ik de buurt aandoe. Poezen zijn verder ook zo eigenwijs. Als ze iets niet willen, zoals een pilletje kun je op je kop gaan staan, ze eten het niet. Het stukje worst waarin je het denkt te verstoppen peuzelen ze op, maar het pilletje blijft keurig achter. Op YouTube zie je dan allemaal filmpjes voorbij komen van poezen die zich gewillig een medicijn laten toedienen, terwijl wij achter een krassende, panische, blazende kat aan door het huis rennen. En dan die vreselijke kappen die ze na een behandeling om hun nek krijgen….Het allerergste was de keer dat onze huidige kat een voedingssonde in de neus aangebracht kreeg en wij geacht werden hem met een spuitje vloeibaar voedsel toe te dienen.
-Dank je de koekkoek…dat gaat ‘m niet worden, dacht onze zieke Tommy en zette zijn nagels in een van de drie (!) mensen die hem vasthielden…

Alles went..

Kat met kap, niet onze kat….

Alles went

Zo hebben we er nu een extra kat bij die in de buurt gevonden is en door niemand geclaimd. Opeens hoor ik mijn vader weer die, ondanks zijn liefde voor katten, met een vies gezicht altijd zei, neem nooit een kater, want die gaan sproeien…In 40 jaar geen last van gehad en nu hebben we toch een sproeistinker in huis! Twee katers in één huis die elkaar niet kennen, tja, dan moet je heel veel dierenliefde voelen om dat te verdragen. Dat hebben mijn huisgenoten en dus hobbel ik maar mee. Alle gordijnen hebben nu een wasbeurt gehad, da’s dan wel weer een positief puntje.

Ik vergeet nog te vertellen dat haar angst voor dieren mijn moeder zich er niet van liet weerhouden bij ons te logeren. Haar afstandelijke gedrag tegenover de poezen maakte natuurlijk dat ze juist graag bij haar gingen zitten. Ik hoorde dan opeens een benauwde kreet: ‘Margreet! Hij springt zo op schoot!’ Ik heb een foto van haar dat er twee katten naast haar zitten, een hond aan haar voeten en zij mij wat schaapachtig aankijkt. Het valt eigenlijk beste mee, lijkt ze te zeggen

In ons gezin is de dierenliefde vermenigvuldigt. De een werkt vrijwillig in een kattenpension, de ander strijdt in de dierenpartij voor een beter leven van dier en natuur. De derde ontfermt zich over katten die op straat zwerven. De vierde ziet het aan en haalt herinneringen op aan vroeger, languit op de bank met een poes op zijn buik, ultieme ontspanning.

Het is voor mij nog steeds een beetje afzien bij tijden, maar de vrucht is het meer dan waard.

Frederiksoord

Onlangs waren we in Drenthe. We bezochten Westerbork. Na onze hotelovernachting in Exloo, met heuse Corona roomservice in de avond (eten onder van die metalen bolle deksels en op een serveerwagentje op wielen); ontbijt ophalen en op je kamer opeten, vertrokken we richting Frederiksoord. Naar het koloniedorp daar, gesticht in de 19e eeuw. Pas daar werd het me duidelijk dat er wel vijf van dit soort kolonies geweest zijn, allemaal gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan de stichter Johannes van den Bosch was, een zeer ondernemende en visionaire militair-ingenieur, een vooraanstaand man. Ik meende een groot gevangenisachtig instituut aan te treffen, zoals waarover ik gelezen had in Het Pauperparadijs, maar dat bleek Veenhuizen te zijn.

DE AUTEUR BECHRIJFT HET LEVEN VAN HAAR VOOROUDERS IN DE STRAFKOLONIE VEENHUIZEN

Na 25 jaar revolutie en oorlog was er een grote groep berooiden en armen in Nederland in 1814. Veel mensen konden nauwelijks of niet rondkomen en leefden in krotten of op straat. Bedelarij was strafbaar en mensen die vanwege honger bedelden opgepakt en in het gevang gezet. Hun uitzicht op een beter leven was hopeloos. Johannes was een bewogen idealist, die ervanuit ging dat een betere omgeving en eerlijk werk in de buitenlucht mensen een betere kans op een toekomst zou geven. Het klonk heel mooi. De eerste uitvoering van zijn idee was de vrije proefkolonie Frederiksoord. Vernoemd naar prins Frederik, de oudste zoon van koning Willem I, een enthousiast voorstander van de idealen van Johannes. Er werden (voor die tijd) comfortabele huisjes neergezet, met een lapje grond erbij om voor eigen gebruik groenten te verbouwen. Verder werd er van de mannen verwacht dat ze hielpen bij de ontginning van de grond rondom de kolonie. De vrouwen werkten in de textiel, spinnen en weven van kleding bestemd voor de kolonisten. Dit onder leiding van werkers die er verstand van hadden. Bijzonder was ook dat kinderen vanaf zes jaar verplicht onderwijs kregen. Pas in 1900 zou er een landelijke leerplicht komen, dus men was hun tijd ver vooruit. Dat was Frederiksoord. De eerste bewoners arriveerden, vrijwillig, in 1818.

het voormalige huis van een van de bestuurders van de kolonie

Toch bleek het project niet succesvol. mensen overplanten vanuit de stad naar het uitgestorven platteland, van eigen zaakjes regelen en geld bij elkaar sprokkelen naar discipline en strakke regels bleek moeilijker dan men dacht. Niet alleen moesten de kinderen verplicht naar school, maar ook kerkbezoek was een vereiste en het meebetalen aan een ziekenfonds. Alles voor een goed doel. Met de huidige protesten tegen Coronamaatregelen in gedachten kan ik me voorstellen dat niet iedereen van die plicht gediend was, zeker niet de mensen uit grote steden als Amsterdam of zo. Johannes van den Bosch was een typisch Verlichtingsdenker: mensen hebben een gezond verstand en doen gewoon wat voor hun bestwil is. Maar de realiteit is weerbarstig.

De kolonie was ordelijk, met lange rechte lanen. ook dat was onderdeel van de visie. Reinheid, redelijkheid en orde!

Echtgenoot en ik hebben rondgelopen in Frederiksoord en onze indruk was die van de typische toerist. Mooi landschap, mooie huisjes, vriendelijke omgeving. Zo zal het de oorspronkelijke bewoners niet zijn vergaan. Drenthe was woest en ledig. Dat was de win-win situatie voor Nederland en de koning. Woeste grond ontginnen voor landbouw. een van de redenen waarom koning Willem I het initiatief steunde. Zijn zoon prins Frederik werd voorzitter van de Maatschappij van Weldadigheid. Men won zoveel mogelijk leden in het land die allemaal een contributie leverden om het project mogelijk te maken. Gezelschappen of kerken in de verschillende steden selecteerden de mogelijke kolonisten. Wie uiteindelijk niet geschikt bleek voor de vrijwillige kolonie werd gestraft en naar een strafkolonie gestuurd. Tot zover dus de ‘vrijwilligheid’.

Wie zich niet wil conformeren aan de regels en de handhaving daarvan, wordt ‘opgezonden’ naar de onvrije Koloniën in Veenhuizen (voor vondelingen en weeskinderen), Ommerschans (voor landlopers en bedelaars) en Merksplas (België).

Arm gezin in Frederiksoord- afbeelding van de site van http://www.welkomtoenwelkomnu.nl

Gisteravond zag ik de uitzending van Verborgen Verleden waar onder andere Herman Finkers in voorkwam. Veel van zijn voorouders waren arm en leefden in de kolonies. Ommerschans was een van de strafkolonies. Nog opgericht (1819)voor die van Veenhuizen (1822). Wie zich niet aanpaste in de vrije kolonie kwam hier terecht. Of wie gearresteerd was voor landloperij. van Lennep met zijn vriend Dirk van Hogendorp wandelen in 1823 samen door het Drentse landschap, eerst als toerist net als wij, maar treffen in de kolonie een situatie aan van honger en ziekte. Men kreeg te weinig eten en de kolonie werd ook een afvalput van de samenleving. Finkers toont de plek waar men begraven werd… in jute zakken in een soort massagraf. geen grafsteen. Triest. Zeker als je bedenkt dat de intenties van Van den Bosch goed waren. Dit was zeker niet zijn bedoeling geweest. Er was blijkbaar te weinig toezicht en ook overheden en bestuurders zagen kans in de kolonies hun lastige inwoners te dumpen.

Eerst liepen wij tien minuten door heerlijke rogge en genaakten zoo het gesticht, dat een vrij aangenaam voorkomen heeft, zijnde met boomen hier en daar overschaduwd en op een oude Schans nog met grachten omringd, opgebouwd

Het is moeilijk zo’n hele geschiedenis te voelen wanneer je rondloopt op een zonnige dag in een vredig landschap. Frederiksoord was dan ook een van de meer geslaagde kolonies. En door het onderwijs zijn ook veel mensen geholpen en hebben zich aan armoede kunnen ontworstelen. Veel van hun nazaten zijn bekende Nederlanders, die vaak helemaal geen weet hadden/hebben van hun afkomst. Er is een databank, Alle Kolonisten, waarin iedereen familienamen kan opzoeken om te zien of er wellicht een voormoeder of-vader heeft gewoond in een van de kolonies. Ook het Drents Archief heeft veel informatie! Het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bevindt zich daar, vierhonderd strekkende meter!

Ik heb een proefsearch gedaan bij de naam Sonneveld, geen treffer. Bij de naam van mijn moeder, van Katwijk, had ik wel treffers. Niet de Schiedamse tak, maar een familie in Brabant die wellicht afstamt van een van mijn verre voorouders uit Schiedam. Een nieuwe speurtocht lokt!

Hoe het verder ging met de kolonies is te lezen op de verschillende sites die ontzettend veel informatie hebben. Alleen de onvrije kolonies (Veenhuizen en Ommerschans werden voortgezet als inrichtingen van de Staat. Tegenwoordig is alleen Veenhuizen nog een zg. rijkswerkinstelling en gevangenis.

De kolonies, de musea het is allemaal fascinerende geschiedenis en een bezoek zeker waard. Ik ga terug als de musea weer open zijn en een bezoek aan de andere kolonies staat op mijn lijstje!

De biografie over Johannes van den Bosch, De Kolonieman, door Angelie Sens is ook heel interessant om te lezen. Ik heb hem uit en hij staat in mijn boekwinkeltje BatteauBoeken te koop.

Schuldig Landschap

Een kennis, kunstenares Eke Malda, tipte me over het werk van Armando naar aanleiding van mijn blog over Westerbork. In de 2e Wereldoorlog groeide hij op  in Amersfoort, dichtbij kamp Amersfoort, . Net als Westerbork een transitkamp, voor Joden en politieke gevangenen, maar uiteindelijk werd het een strafkamp. Vele soorten gevangenen verbleven er, herkenbaar aan de kleur van een merkteken op hun jas. Zelfs beroepscriminelen werden er opgesloten. Met een groene driehoek op hun jas.

Armando zou de vreselijke beelden van uitgemergelde gevangenen, smekend om een stuk brood en de dreiging van bewakers op hoge wachttorens met lange ladders nooit vergeten en verwerkte het thema in zijn kunst. Hij ontwikkelde hiervoor het begrip Schuldig Landschap. Ik noem in mijn blog over kamp Westerbork de liefelijke omgeving die zo’n contrast vormt met de gruwelen die er plaatsvonden. Die spanning, die verwarrende, of liever verbijsterende tegenstelling (hoe kán dit) vat Armando samen in dat begrip.

„Het is een landschap dat heeft zien gebeuren, want in landschappen, in de schone natuur, vinden vaak de afgrijselijkste opvoeringen plaats. Veldslagen. Sluipmoorden. Man tegen man. Aanleg en onderhoud van kampementen. Barakken. Plekken ter kwelling van weerloze schepsels. Voornoemd landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien, het is een schande, ik raak er nooit over uitgesproken. De confrontatie natuur-cultuur is een onbarmhartig gebeuren, dat gaat met pijn gepaard, geloof dat maar. Ja ja, ik weet wel, het is zinloos om de natuur schuldig te noemen, maar kunst is ook zinloos, daarom is kunst zo onontbeerlijk. En gewetenloos.” (Uit: ”Schoonheid is niet pluis, verzameld proza”, Amsterdam 2003

Hij raakt daarmee een snaar in me. Voor  mensen zoals ik maakt juist die mooie, maar onaangedane natuur het zo onmogelijk je iets voor te stellen van de gebeurtenissen die er zich afspeelden. De natuur heeft de neiging in zich om je gerust te stellen. Of je laat je gerust stellen. ‘Ze hadden in ieder geval een mooi uitzicht’ of dat soort trivialiteiten.

Toch blijf ik ook geloven in de hóóp die de natuur in zich draagt. Wat de mens ook uitricht, de schepping blijft troost bieden. Een bloem op een onverwachte plek, een zaadje dat ontluikt in een troosteloos landschap, een zonsondergang. De natuur blijft voor mij ook een venster naar schoonheid die uitstijgt boven al het gewoel en de ellende op aarde. Een venster naar de eeuwigheid en de herschepping van alle dingen die God belooft in de bijbel. 

Hier nog wat meer informatie over de kunstenaar

https://kunstvensters.com/2018/07/02/in-memoriam-het-schuldig-landschap-van-armando/

Foto is van Stephan van Fleteren

Westerbork, Frederiksoord en lessen over vrijheid

Het vergaat mij met schrijven als met bewegen. Hoe minder ik het doe, hoe minder zin ik heb. Het bevestigt dat ik van nature enigszins tot luiheid aangelegd ben. Geef me een goed boek, een goeie film en een lekkere zit- of ligplek en ik ben tevreden, met af en toe een kop koffie of thee. Ik zal nooit tot grootse prestaties komen daardoor. Ik heb lang mijzelf daar lichtelijk schuldig over gevoeld: ik zou toch meer moeten van dit of van wat anders. Sinds ik tot de senioren ben gaan horen heb ik een zekere rust gevonden. Ik heb mijn deel bijgedragen en het is wel goed zo. En dat is meestal wanneer de schrijfzin weer begint te borrelen. Ik hoef niet, ik mag.  

2021 is een jaar zoals ik er niet eerder heb meegemaakt. Het leerde me één ding, namelijk hoe vanzelfsprekend ik alles vond en deed. Naar de film, wandelen, en een kop koffie ergens drinken. Fietsen en een tosti eten. Uit eten met een bijzondere gelegenheid. Niet dat ik niet dankbaar was voor veel leuke dingen, maar ze hoorden er zo bij dat het onvoorstelbaar was dat we op een dag alleen nog naar de super konden voor een ‘uitje’.. 

Dinsdag vertrokken we voor het eerst sinds maanden voor een ‘groots’ uitje, naar Drenthe, een nacht in een hotel en bezoeken aan twee plekken die al jaren op mijn lijstje stonden. In het voorjaar ter ere voor mijn 65e verjaardag gepland met het hele gezin, maar noodgedwongen geannuleerd. Westerbork, het voormalig concentratiekamp van waaruit vele duizenden Joodse landgenoten naar de vernietigingskampen in Duitsland en Polen werden gebracht en Frederiksoord, een van de Koloniën der Weldadigheid uit het begin van de 19e eeuw.

De bezoeken waren vanwege de situatie uiteraard beperkt. De musea zijn dicht. maar de terreinen zijn toegankelijk en in feite was het me daar ook om te doen in de eerste plaats, de beleving. Een museumbezoek helpt daar natuurlijk ook aan bij, door films en achtergrondinformatie, maar op dit soort historische plekken vind ik rondlopen en een poging wagen me voor te stellen ‘hoe het was’ indrukwekkender. Hoewel dat onmogelijk is.

Bij Westerbork parkeerden en liepen de 30 minuten naar het terrein van het kamp. Het was koud, maar helder. De lucht was blauw met hier en daar een wolk. Soms scheen de zon even fel over het mooie winterlandschap. De grond is er zompig en nat, grote plassen hadden zich de laatste weken gevormd en het zonlicht spiegelde erin. Felgroen gekleurde mossen, hele velden met hoge, gouden grassen, bruggetjes over kabbelende beekjes. Het was een prachtig vakantielandschap. Hoe kwamen de Joodse gevangenen hier aan vroegen we ons af? Liepen ze door dezelfde bossen? Misschien met het idee dat alles nog wel mee zou vallen? In zo’n omgeving?

Het contrast tussen de liefelijke omgeving en de gruwelijk gebeurtenissen die zich er hebben afgespeeld is moeilijk te vatten. De wanhoop van mensen die vanuit hun eigen huis en haard gedumpt worden in een schuurachtig verblijf waar ze met tientallen in één ruimte opgepakt zitten. Het verdriet van een moeder die geen afscheid heeft kunnen nemen van haar kinderen.

Fragmenten uit brieven van kampbewoners zijn uitvergroot te zien achter plexiglas op grote panelen op het terrein.
.

We gaan morgen verder

We gaan morgen op reis

Ik houd me flink

We hopen op een goede afloop en elkaar na de oorlog weer te zien

Er spreekt zoveel moed uit die briefjes. Vooral als je oog in oog staat met de wagons waarin die reis dan werd gevoerd. Hoe vaak heb ik die niet gezien op foto’s en op TV? Maar nu ik er zelf voor sta, de manshoge wielen. De stalen schuifconstructie waarmee de wagon hermetisch werd afgesloten

Het meest ben ik onder de indruk van de woning van kampcommandant Gemmeler. Een leuk, groenhouten landhuis met een veranda en serre. Ik zou er zo willen wonen. Het kijkt uit over het uitgestrekte kampterrein, waar vroeger de barakken stonden en het kampleven zich afspeelde.
Het huis is nu zelf gevangen onder glas. Opdat het blijft bestaan, als aanklacht. Zo gewoon was het kwaad.
Op een zomerdag zag men vanuit het huis, tijdens de koffie in de serre, de wagons vertrekken met kinderen, zieken en oude mensen. Ze deden de ramen maar even dicht om het geschreeuw niet te horen (wat een lawaai zeg!). Bij het tweede kopje was de rust weer teruggekeerd.
Zo stel ik me het voor.

Voormalig woonhuis kampcommandant

Dertigduizend Joden en tweehonderdvijfenveertig Sinti en Roma zijn vanuit Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Van de Sinti en Roma hebben dertig het overleefd. De beruchte foto van het meisje met de hoofddoek die door een kier van de deur naar buiten kijkt is een Sinti meisje, Settela Steinbach, en ze vertrekt hier met haar moeder en broers en zussen vanuit Westerbork. Ze is in Auschwitz-Birkenau vergast in juli 1944

Zaa-lig!

Begraafplaats de Beukenhof

Op 19 oktober zou mijn moeder 103 geworden zijn. Voor haar ben ik blij dat dat niet gebeurd is. Haar laatste levensjaren (ze werd 90) waren moeizaam door toenemende dementie, dus haar sterven was een verlossing. Voor ons en voor haar. Ik heb veel over haar geschreven in die jaren, terug te vinden onder de categorie ‘moeder’.

Een of twee keer per jaar gaan we naar haar graf. Meestal rond haar verjaardag, omdat die zo in mijn systeem zit. Haar sterfdag niet. Daar moet ik altijd even diep over nadenken. Februari ja, maar de datum…, nee.
Op de grafsteen staan ook de namen van mijn vader en van mijn zus Loes. Mijn vader stierf relatief jong (72) in 1986, 34 jaar geleden. Mijn oudste zus Loes, in 1992. Zij was echt jong nog. 45 jaar. Ook over haar heb ik veel geschreven.

Het was in onze familie niet gebruikelijk een graf te kopen. Het was duur, dat ten eerste, maar de noodzaak ervan werd ook niet gezien. En dat had meer te maken met het (volgens hen) op de bijbel gebaseerde idee dat de dode lichamen vergaan, de geest geborgen is bij God en een bezoek aan het graf, dus, zinloos is.

Het besef van een plek nodig hebben om te bezoeken om daar stil te staan bij het leven van de gestorvene, en wat die voor je betekende, kende mijn ouders niet. Voor rouwen was in principe geen vorm. Ik kan mij nauwelijks rituelen herinneren. Op oudejaarsavond werden in de kerkdienst wellicht de namen gelezen van wie in het afgelopen jaar gestorven waren, maar meer dan dat was er niet, voor zover ik weet. Tijdens samenkomsten bij een begrafenis kon het zelfs gebeuren dat de naam van de overledene niet genoemd werd, zo bang was men voor wat ‘persoonsverheerlijking’ genoemd werd. Dat is tegenwoordig wel anders. Soms met een tegenreactie. Geliefden worden dan zo opgehemeld alsof ze volkomen gevrijwaard waren van onhebbelijke eigenschappen. Maar goed. Balans is vaak moeilijk.

Veel van wat nu geaccepteerd is, zoals een kaars branden of een gedachtenistafel, was toen nog ‘rooms’ en ‘rooms’ was per definitie slecht. Bloemen leggen bij een graf was nog erger dan rooms. Dat was heidens in mijn vaders ogen. Dat riekte naar voorouderverering. Van mijn opa vertelde mijn moeder dat hij zelfs geen naam op zijn grafsteen wilde. Alleen maar deze woorden: ‘Wachtend op de jongste dag’

Toen mijn moeder overleed en we met elkaar als familie vonden dat het toch wel verdrietig was dat er van mijn vader en zus nergens meer een gedenkteken was, hebben we een graf gekocht. Mijn moeder is er begraven en op de gedenksteen staan de namen van mijn beide ouders en die van Loes. Dat is goed.

We liepen nog wat rond op de begraafplaats de Beukenhof in Schiedam. De zon scheen, het was zo’n gouden herfstdag. Ik bedacht hoeveel familieleden er begraven liggen. Vele ooms en tantes, ik denk ook grootouders en hoe vreemd het is dat er zo weinig terug te vinden is dat aan hen herinnert. Wat me ook opviel was dat de nieuwere grafstenen zo groot, opzichtig en glimmend zijn. Veel marmer en extra’s. Ook daarin zie je een tijd veranderen. De oude stenen vaak eenvoudig, van grijs graniet of zo, met zwarte letters, verweerd en niet altijd meer leesbaar. Zoals dat eigenlijk ook hoort bij de dood, vind ik zelf. De nieuwere stenen zijn hard en onverwoestbaar, met foto’s en allerlei attributen. Ergens ook een ontkenning van de vergankelijkheid van het leven en van de dood zelf, onbedoeld.

Schiedam

We trokken nog een paar uur mijn geboortestad Schiedam weer in. De voetstappen van mijn hele voorgeslacht liggen er en ik raak steeds meer gefascineerd door hun geschiedenis. Het oude centrum van Schiedam is mooi, mooier nog zijn de grachten met hun oude panden waar de rijke regenten woonden, zoals de ‘destillateurs’, de directeuren/eigenaren van de jeneverbranderijen waar Schiedam bekend/berucht om is. Veel mijn voorvaderen hebben er hun kost verdiend, met bloed, zweet en tranen. Op veel trouwaktes worden de beroepen vermeld van getuigen en zoveel werkten er als brandersknecht. of zakkendrager. Ik probeer me zo’n arbeidersleven voor te stellen. Als brandersknecht werkte je meer dan 14 uur per dag in de hitte en in de jeneverwalm. Je vertrok voor dag en dauw naar je werk, werd waarschijnlijk half dronken van de walm alleen, kreeg soms ook als deel van je loon bij je middageten een kruikje te drinken. ’s Avonds was het acht uur voor je naar huis kon. Hoe kwam je thuis? Hoe woonde je? In een krot? In een door de gemeente gebouwd hofje waar het iets beter was dan in een krot? Waar je wel met meerdere huishoudens een WC deelde. Schiedam was een arme stad.

Ook de Julianakerk waar zij beiden gedoopt werden en kerkten staat er nog. (Correctie: Ik hoorde van familie dat deze kerk helaas is afgebroken) De NGK aan de Westvest 30 waar mijn broers en zussen gedoopt werden. (Opnieuw een correctie: pas in 1954 kerkte men voor het eerst in dit gebouw. Daarvoor in het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond, Westvest 92. Ik ben dus als enige in het nieuwe kerkgebouw gedoopt. Wel zijn wij alle vijf door ds. C. Vonk gedoopt, hoewel er ook nog een tweede predikant was, van Oene, van 1948 – 1952. Dus wie weet). Wederzijdse woonhuizen van vroeger en later zijn nog te vinden.

Stefan Hertmans zegt het mooi: “Geschiedenis ligt op straat, ze is een schichtig ding, als een lichtvlek met een menselijke contour omgeven door duistere, verloren levens.” (De bekeerlinge, Bezige Bij 2016)

appeltaart to go ter ere van de verjaardag bij Zaa-lig in Schiedam
Bij het trouwen van een zus van mijn vader, 1939

Ter ere van mijn moeders verjaardag halen we koffie en appeltaart bij een restaurantje aan de markt. Met de toepasselijke naam Zaalig! Een kwalificatie die mijn vader graag gebruikte om eten en drinken te omschrijven. Echt Schiedams. En de appeltaart verdient de onderscheiding! Die was werkelijk zaalig!

Herfst en de duizend sneetjes van Corona

Herfst
Ik zag ze lopen onlangs in de bossen bij Katwijk. De gezinnetjes met kinderen, leeftijd peuter en basisschool. Met plastic tasjes, rugzakjes, of andersoortig opbergmateriaal. Vaders en moeders in diverse stemmingen, vrolijk roepend of gefrustreerd omdat peuter weg blijft rennen, de achtjarige die geen zin heeft in wandelen maar wel in een boom wil klimmen, om er niet meer uit te komen. De driejarige die bij ieder sprietje stilstaat en het gezelschap ophoudt. De opa’s en oma’s, met volle teugen genietend, zoveel geduldiger dan ooit met eigen koters. 

In de zakken en tassen verdwijnen de glimmende bolle kastanjes, de groenbruine beukennootjes, de eikeltjes met hun parmantige mutsjes, en alles wat de natuur op dit moment aan herfstoogst voortbrengt. De bladeren vertonen hier en daar wat verkleuring maar nog niet echt intens. Wel is er een overvloed aan bessen. Fel oranje duindoorn- en donkerrode meidoorn bessen. Rozenbottels, kardinaalshoed en vlierbessen. Vogels en andere duinbewoners kunnen hun buik vol eten van het overladen herfstmenu.

Heilzame natuur
We herinneren elkaar glimlachend en een tikje melancholisch aan de tijd dat we zelf met onze kinderen herfstspullen gingen verzamelen voor een schaal op tafel. In de bossen bij Bennekom. De basisschoolleeftijd was het leukst. Die waren enthousiast en kwamen met kilo’s kastanjes en vrachten oranje gekleurde bladeren aan. De pubers vertoonden een zeer nadrukkelijke afkeur voor dit soort escapades. Eenmaal in het bos werd het toch altijd leuk. Er is iets met natuur en buiten zijn dat een mens zo’n goed doet. Voor mij is de drempel hoog. Maar eenmaal buiten leef ik op. Zeker nu ik me al een periode wat vleugellam geslagen voel. 

Ik zag op tv het beeld van een verwondde eend. Zijn vleugel was gebroken door een scherp voorwerp. Hij wilde heel graag wegvliegen maar de gebroken vleugel deed niet meer dan wat doelloos klapperen. Het vliegen lukte niet. Het lijfje spande zich tot het uiterste in, maar verder dan een sprongetje kwam het niet. Zo verging het mij de laatste tijd.

Ik zocht op internet wat vleugellam eigenlijk betekent en kwam als eerste bij de verwijzing naar psalm 42 uit.  ‘Hart onrustig vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel’. Die omschrijving is heel raak. En geeft goed de gemoedstoestand weer waarin een ziel, mijn ziel in elk geval verkeren kan. Wel willen maar niet kunnen. Terneergeslagen. Droevig. En ziel en lichaam vormen een geheel dus het heeft zijn weerslag evengoed op mijn lichaam. Vermoeidheid, malaise, alsof ik een zware griep heb gehad.

Rouw en de tweestrijd
Rouw om een goede vriend die in korte tijd een pijnlijke dood stierf als gevolg van een zeer zeldzame huidziekte, te laat ontdekt door de drukte rondom corona,  de erbarmelijke situatie van vluchtelingen. En daaronder de laag van pijn om de zelfmoord van mijn zus lang geleden, die weer kwam boven drijven. Immer onverwacht. Nooit direct. Maar de pijn vormt een ondergrond. Soms keurig als een diepe aardlaag, op een plekje waar ik niet vaak spit. En dan opeens (zo lijkt het) komt het weer aan de oppervlakte. Als een deur van een donkere kamer, die je liever dicht houdt, die openspringt door een tochtvlaag. Die kamer is donker omdat het de plaats is van verlatenheid, waar niemand is om te helpen. Waar geen mens meer komt, zelfs God niet, zo lijkt het, want daar beneemt een zus zich uit wanhoop het leven. Het is daar zo duister dat ik er altijd bang voor gebleven ben. 

Sommige periodes in mijn leven vecht ik met een donkere vijand die  lonkt en zegt dat ik het ook niet redden ga. Die mij mijn geloofsvreugde wil benemen. Die meent dat ik maar een rol speel, die meent mij ‘echt’ te kennen. 
In psalm 42 spreekt iemand die de ik beschuldigt, de scepticus, die de ik wil laten twijfelen aan Gods welwillendheid. Aan zijn nabijheid. De ik klampt zich vast aan Gods beloftes en herinnert zichzelf aan eigen helende ervaringen uit het verleden. Een tweestrijd. Een debat. Dat debat herken ik. Het gevecht met die scepticus. Die steeds maar ‘het zal wel’ en ‘denk je nou echt?’ fluisteraar. Heel uitputtend.

Wat mis ik de kerk en het zingen
Er is de droefheid omdat het op deze aarde zo ontstellend mis kan gaan. In het leven van geliefden, van de mensheid in het algemeen en in dat van samenlevingen. En er is door corona het pijnlijke gemis van kerk en samenkomsten. Waar ik me kan laven aan beloftes en steun die ik niet uit eigen kracht hoef op te pompen. Een kerkdienst is als een rivier die stroomt, waar ik mag rusten als ik moe ben en waar het heil me wordt aangereikt als een verkwikkende drank (ja, psalm 23). Mijn broers en zussen, meestal zonder dat ze het beseffen, zijn vaak tot troost. Zo werkt de Geest. Het is Gods vrede, Zijn shalom. En zingend kan een mens soms uitstijgen boven getob en gepieker. Oh, wat mis ik dat zingen!

Wat doet corona met je, vroeg iemand een goede vriendin. Het was in Amerika. It is ‘wounding’, antwoordde ze. Het bezeert me. En dat is het. Corona is als een scherp voorwerp dat je telkens weer op een andere plek een beetje pijn doet. Kleine sneetjes kunnen gemeen zeer doen. En veel kleine sneetjes is heuse pijn. Elkaar niet zien, niet kunnen omarmen, vooral bij groot verdriet. Of vreugde.
Het is een kale tijd en een onzekere tijd. Ik mis ook het reizen naar verre oorden en familie en goede vrienden daar. Een luxeprobleem in zekere zin maar wel een gemis om mee om te gaan. 

Cocktail
Zo is het een hele cocktail geworden. Herkenbaar voor velen, denk ik. Op onderdelen. Mijn les de afgelopen maanden, geoefend met steun van een hulpverlener, is dat verdriet niet ingeslikt (kom op, verman je!) maar gedeeld mag worden. Niet eerst beoordeeld op legitimiteit (mijn zus stierf toch al 30 jaar geleden, de situatie op Lesbos is toch veel erger enz.) voordat je iemand er wat over vertelt, maar gevoeld en gedeeld mag worden in al zijn rauwheid voordat je het weer relativeert. Die tussenstap, van ‘mogen ervaren’ van negatieve emoties (hoe modern therapeutisch het ook klinkt,) is in het voorkomen van depressies (in mijn geval) een belangrijke. 

Davids (en Jobs!) klachten en klaagzangen staan tenslotte ook voor iedereen leesbaar in de bijbel…Ik lees het boek Job in de vertaling van the Message en schrik er soms van hoe direct Job God durft aan te klagen. De beloftes van Gods shalom zijn waar en troostvol. Maar ons verdriet heeft een plek, ook in de bijbel. Gelukkig maar.

Hier is een prachtige vertolking (engels) van psalm 42 door Shane and Shane.

Telefoon van de Wind

Ik heb nog nooit Zomergasten gekeken (te lang voor mij). maar ik check vaak wel welke (gedeeltes van) films en docu’s worden getoond op verzoek van de gast. Die zijn meestal de moeite van het bekijken waard.
Zo maakte de titel van de documentaire waar de laatste gast Nazmiye Oral een gedeelte uit liet vertonen, The Wind Phone, me nieuwsgierig.
Een witte, glazen telefooncel, met daarin als enige attribuut een zwarte, bakelieten telefoon, niet aangesloten, waarmee mensen hun gestorven geliefden ‘bellen’?
Ik had ergens al mijn oordeel klaar.. zielig, toch?

En toen.
De documentaire ontroerde me tot in het diepst van mijn ziel.
Op een prachtige plek, buiten Otsuchi, Japan, op een heuvel met uitzicht op de zee, staat de telefooncel. In de lente omringd door bloeiende bomen, in de winter bedekt met een dikke sneeuwlaag. Het hele jaar door komen er duizenden mensen om te ‘bellen’. Aanvankelijk neergezet door de eigenaar van de grond, is de plek nu toegankelijk voor iedereen. Ontwerper Itaru Sasaki bouwde de cel na de tsunami in 2010. De stad Otsuchi werd keihard getroffen door de tsunami. 800 doden en nog steeds honderden vermisten. Itaru Sasaki verloor zijn neef en zocht een manier om met het gemis om te gaan.
Via de telefoon sprak hij met zijn geliefde neef en liet het gesprek meedragen door de wind.

De documentaire is vijf jaar geleden gemaakt. Nabestaanden gaven toestemming om de gevoerde ‘gesprekken’ mee te luisteren via een microfoontje in de telefoon. Het verdriet van de nabestaanden is nog vers en rauw. Eerst voel je je een voyeur, maar gaandeweg word je meegenomen in de verhalen van een aantal mensen die worden gevolgd.

Het meest raakte mij het verhaal van een gezin, moeder met drie tieners. Het gezin woonde niet in de stad zelf. Vader was vrachtwagenchauffeur en reed op het moment van de tsunami in Otsuchi. Er is nooit meer iets van hem vernomen. De oudste zoon reist drie uur met het OV naar de telefoon om tegen zijn vader te praten. De opgenomen gesprekken zijn maar kort maar je voelt mee met de opgekropte emoties, het intense gevoel van verlies en verdriet. Maar ook iets van opluchting.

Later zien we de zoon terugkomen met moeder, broer en zus. Ze vertellen voor de camera hoe ze nooit met elkaar gesproken hebben over het verlies en hun verdriet. Maar op aandringen van de oudste zoon zijn ze nu ook gekomen om via de telefoon wat te zeggen. Het meisje is gesloten en heeft zelfs nooit meer de naam van haar vader genoemd.

‘Wat moet ik zeggen’, vraagt ze giechelend aan haar broertje van twaalf, die mee naar binnen gaat. Als steun.
‘Gewoon’, zegt hij wijs, ‘wat is het laatste wat je hem nog had willen vertellen? Wat zou je zeggen als je hem nu zag?
Dan komt er een stortvloed van tranen en verhalen los.
‘Sorry Pap, dat ik altijd zei dat je stonk’ snikt ze.
‘Én ik zit op tennis nu!’ Minutenlang deelt ze alle tienerervaringen van de afgelopen jaren. Huilend en lachend tegelijk.

Het is voor de hele familie een catharsis moment. Voor het eerst samen huilen en ook weer samen lachen.

Zo zijn er meerdere mensen die hun vrouw, hun zoon, hun vader, verloren. Sommigen vragen zich af hoe ze nog langer door kunnen gaan. Rouw in de meest pure vorm. Zonder commentaar, zonder woorden van troost. Maar het spreken helpt het verdriet en emoties te uiten wat zeker in de Japanse cultuur moeilijk is.
Een vrouw is er voor het eerst, meegenomen door haar twee vriendinnen. Je ziet dat het haar oplucht, ook om haar tranen te tonen aan de vriendinnen

image: steemit.com

Het kwam heel diep bij me binnen. Ik denk dat deze vorm van rouwverwerking vooral zo ‘werkt’ bij de rouwenden omdat er sprake is van een traumatische dood of vermissing. Men heeft geen afscheid kunnen nemen. Geen gelegenheid om nog juist dat ene te zeggen of te vragen. Het doet je weer zo beseffen hoe intens belangrijk het is om bij leven die dingen niet ongezegd te laten.

In therapie wordt de methode van het brieven schrijven wel gebruikt. Ook een hele aangrijpende manier om nog eens onder woorden te brengen wat je beweegt. Maar deze ‘telefoon’ maakt het nog indringender. Mensen draaien ook het (oude) nummer van degene met wie ze willen spreken. Ik moest denken aan mijn zus Loes, die zichzelf het leven benam. Wat zou ik tegen haar zeggen? En dat onder woorden brengen (met tranen) gaf toch weer lucht aan de pijn die ik altijd met me meedraag, dat ze zo alleen en ellendig gestorven is. Zo lang geleden al, maar even was ze er weer. Het gaat niet om schuldig voelen, maar puur om de pijn dat we er niet altijd ten volle kunnen zijn voor elkaar. Twee dingen vonden plaats. Het ervaren van die pijn, die het grootste deel van de tijd in een hoekje van mijn hart zit. Maar ook het besef hoe lief ze me was. Nu kan ik dat beide weer ervaren.

Ik wil mijn kleine leed niet vergelijken met het grote leed van deze nabestaanden. Ik vertel het omdat het me zo trof dat het echt een manier van rouwverwerken is. Ik kom uit de christelijke traditie waarbij de overledene in de hemel is, het daar goed heeft (geloof ik trouwens nog steeds) en dat troost de nabestaanden. En ook dat is waar. (Die troost lijkt te ontbreken voor de Japanse nabestaanden, ze weten niet waar hun geliefden zijn). Die overtuiging leidde in het verleden ertoe dat er weinig aandacht besteed werd aan rouwverwerking. De troost van de hemelse verblijfplaats werd geacht afdoende te zijn. Ook een gang naar het graf werd niet gestimuleerd, vanuit de gedachte dat de persoon daar niet meer was, dus is dat zinloos. Mijn moeder’s vader wilde niet eens een naam op zijn grafsteen. Ik kan me dan ook niet herinneren dat wij ooit de graven bezochten van opa’s en oma’s. Dat was ‘Rooms’ en dus niet goed.

Inmiddels is er meer aandacht. Zijn er meer rituelen. Bezoekt men graven, legt er bloemen. Alles om uiting te geven aan gemis en liefde. De blog Floreat Semper, van Frouckje van de Wal is er een mooi voorbeeld van.

Foto https://jeltephoto.com

Zeker bij traumatische sterfgevallen waarbij er geen afscheid genomen kon worden van een geliefde, of bij langdurig vermisten, is deze Telefoon van de Wind een krachtig ritueel.

En troost komt van de God die ons klagen hoort. Dat geloof ik.
Hij bewaart onze tranen in Zijn fles.
Die Zelf de meest traumatische dood stierf zodat ons klagen niet verwaait met de wind, maar gehoord wordt in de hemel.

2011 after the tsunami. © The Yomiuri Shimbun/AP

Afscheid nemen – alweer

Naarmate ik ouder word begint het aan te tikken, de keren dat ik afscheid moet nemen van geliefden. Het afscheid nemen van ouders, wederzijds, is onvermijdelijk. Hoewel je er toch nooit echt op bent voorbereid wanneer het ogenblik daar is, heb ik wel ervaren. Veel bleef ongezegd en vragen onbeantwoord. En missen doe ik ze zeker bij tijden.
Het overlijden van mijn beide zwagers was moeilijker omdat ze beiden als oudere broers waren voor me en jong stierven. 35 en 46 jaar waren ze. Te vroeg. Te jong. Mijn oudste zus stierf eveneens jong, op 46 jarige leeftijd. Haar zelfgekozen dood liet een kras achter op mijn ziel die bij tijden pijnlijk opspeelt. Ik moest weer aan hen denken vanwege het overlijden van een goede vriend, na een kort, maar hevig ziekbed. Het sterven van een geliefde is als een stortbui die de grond los woelt en bovenlagen wegspoelt.

Ik herlas sommige van mijn blogs over rouw en verdriet na het sterven. Ik werd getroffen door wat ik schreef na het overlijden van mijn schoonmoeder. Op verzoek van mijn schoonvader hebben we toen direct alle sieraden, sieradendoosjes, kleding en andere persoonlijke dingen uitgezocht en verdeeld. Het voelde ongepast, zo snel, maar mijn schoonvader was pragmatisch. Met het gezin verspreid over Amerika en Nederland zou er niet gauw een gelegenheid komen dat we weer allemaal bij elkaar zouden zijn.

Blanca’s sieradendoosjes

Op een gegeven moment word het opruimen mij teveel en ga ik wandelen om meer grip te krijgen op mijn emoties. Ik zit wat op slot en schrijf dan het volgende:

Ik dacht aan alle sieradendoosjes die door mijn handen waren gegaan. En ik realiseerde me dat  deze wandeling, dit alleen zijn met het water, me eindelijk bij het doosje bracht wat nog dicht zat, maar (knarsend en wel) open wilde. Ergens in een kamer van mijn ziel bewaar ik dat doosje met het verdriet om geliefden die al eerder stierven. Het verdriet om Blanca kon ik pas ervaren als dat deksel er af kwam.  Dat gaat meestal moeizaam, want de inhoud is  donker. Ik voelde echter aan mijn lijf dat het gebeuren moest.

Ik ben dus maar gaan zitten met het weidse uitzicht op het water en heb het ondergaan. Het verdriet om de geliefden die ik mis. Niet altijd bewust, maar wel op de achtergrond. Sommigen veel te jong gestorven. Het is uiteindelijk de pijn om de vergankelijkheid van het leven. De pijn omdat het altijd weer op sterven uitloopt. Op afscheid nemen en ‘afgesneden zijn’ (Vasalis). De schreeuw uit de diepte van psalm 130. Even geen uitzicht hebben op Pasen.

Dat, dat doosje-met-inhoud, dat ging vandaag weer open. Na het sterven van die goede vriend, een week geleden. Verdriet is zo complex, zo onontwarbaar.

Misschien is het de hoeveelheid liefde wel die de schade van verlies en pijn beperkt en omdraait. Liefde niet als zoetig sentiment, maar liefde zoals God die voorleefde. In mee- lijden, in mee-voelen, in mee-dragen, in mee-huilen, in mee-booszijn. Was Jezus niet geweldig kwaad ook op de dood, toen Hij bij het graf van zijn vriend Lazarus stond?

Rouwen is blijkbaar nooit helemaal over. Het verdriet verraste me. Het is raar dat het moeilijk blijkt mezelf toe te staan dat te ervaren. Ik kom aan met argumenten waarom het allemaal zo erg niet is. ‘Lang geleden’, ‘maar een vriend’ enzovoort.

Maar gevoelens zijn er. Die redeneer je niet weg. Dus ik laat de rouw maar weer even toe. Om mijn vader en moeder, om Blanca, om Gert, om Hemmo, om Loes. Om Jonathan en Tristan, twee jongetjes uit de gemeente die we als baby’s in een grafje moesten achterlaten, wat me diep heeft aangegrepen. En om Guust. Om het ingrijpende van de dood. Om het gemis. Om wat hier op aarde er niet meer zal zijn. En ik ben ook kwaad omdat het steeds weer op afscheid nemen uitloopt. Overal en bij iedereen. Kan het nou eens afgelopen zijn?

Dat Lazarus uit zijn graf kwam lopen is de hoop onder mijn bestaan. Hij is weer gestorven, dat is waar. Maar Zijn goede vriend Jezus niet. Door Hem konden we Guust zachtjes aan zijn sterfbed toezingen:
Ga met God en Hij zal met je zijn,
in Zijn liefde jou bewaren,
in de dood jouw leven sparen
Ga met God en Hij zal met je zijn

Ooit komt die tijd van nooit meer afscheid hoeven nemen.

Sommelsdijk, een bezoekje aan mijn voorouders

Ik heb al eens geschreven over mijn op Sommelsdijk (Goeree en Overflakkee, ZH) en omstreken roemruchte voorvader Cornelis Joppe. Hij woonde van 1819 – 1906 in Sommelsdijk en was daar bekend met iedereen en iedereen kende hem.

Tijdens een korte vakantie onlangs in Oostvoorne zijn we weer naar Sommelsdijk getogen. Ik ben verknocht aan familiegeschiedenis en wilde weer eens snuiven aan de lucht van Goeree en Overflakkee. Ik bracht daar vroeger als kind met ons gezin vele vakanties door.
Vanuit Schiedam reden we tot het niet verder kon. Want er was nog geen brug naar het eiland. Daar reden we met auto en al de pont op. Als kind vond ik dat tegelijk opwindend en angstig. Het geluid van auto’s die over zo’n rammelende loopplank het ruim van het schip inreden, de sterke geur van uitlaatgassen en diesel, de enorme kettingen en vuistdikke touwen. De echo van mensenstemmen en verkeer in die holle, stalen ruimtes. De wind, het water. Griezelig en heerlijk, want het was allemaal verbonden met vakantie. In het streekmuseum dat we bezochten in Middelharnis zag ik een maquette staan van een vergelijkbare pont die we dan namen.

Een erg leuk streekmuseum trouwens, waar alles de lucht van vroeger ademt. Tot aan het winkeltje waar ik me terug waande in de winkel van mijn tante Nel Sonneveld in Schiedam. Met de oude koffiemolen (toen al voor de sier denk ik), de lades met koffie, thee enzovoorts.

De familie Joppe was, evenals mijn andere voorvader Carl Buschman, van Duitse origine. Geert Joppe en zijn vrouw Getrud Boos/Bos kwamen rond 1740 vanuit het Duitse Dulken naar Overflakkee. Hij was een van de bekende Hankemeijers, arbeidsmigranten, zoals we ze nu zouden noemen. Oorspronkelijk luidde de naam overigens Joepen. In Duitsland nog Rooms-katholiek laat Geert Joepen zijn kinderen op Sommelsdijk dopen in de hervormde kerk. Mijn voorvader Cornelis, achterkleinzoon van Geert, was een toegewijd lid van die kerk. Hij woonde er tegenover en was er zowel diaken als ouderling. En verder diende hij het dorp als raadslid en uiteindelijk als wethouder. Dat laatste 17 jaar lang tot vier jaar voor zijn dood in 1906.

Hervormde kerk Sommelsdijk, waar Cornelis diaken en ouderling was

Cornelis was veehandelaar. Ik begrijp dat dat de handel in koeien betekende. Mijn familie van vaders kant in de vrouwelijke lijn was een echte agrarische club. Ze hadden geen grote boerderijen maar pachtten land, waarop ze koeien lieten grazen die uiteindelijk voor de verkoop bedoeld waren. Mijn betovergrootvader, Frederik Willem Buschman, met wie Teuntje, een van de dochters van Cornelis Joppe zou trouwen, kwam op het eiland om koeien te kopen. Hij verscheepte die naar de VS. Waarschijnlijk naar boeren die daarheen geëmigreerd waren en een Nederlandse veestapel wilden. Het was geen succes. De koeien braken vaak poten, zo wil het verhaal, en waren dan natuurlijk niets meer waard.

Enkele Ring Sommelsdijk, waar het woonhuis nr. 9, van de familie Joppe stond

Ik verbeeld me dat Teuntje Joppe verliefd werd op de zwierige Frederik Buschman. Op foto’s kijkt hij nogal trots en fier de lens in. Ook zijn handtekening onder verschillende documenten is met een groot en krachtig handschrift geschreven. En zo verliet Teuntje het groene Goeree, waar de zeewind altijd waaide en kwam terecht in naar jenever stinkend, arm en dichtbevolkt Schiedam. Wel woonden zij op een klein gepacht boerderijtje langs de Schie. Aan die verbintenis dank ik (ternauwernood) mijn bestaan. Mijn oma is daar nog geboren. Zij was een van de drie kinderen, twee meisjes en een jongen, van de twaalf kinderen, die overleefden. Zelfs voor die tijd een ongehoord hoog aantal sterfgevallen onder kinderen. Die lag toen rond de 30%. Hier is sprake van 75%! Was er een erfelijke ziekte? Armoede? Het laatste kan ik me niet voorstellen omdat zowel Teuntje’s vader als de vader van Frederik niet echt arm waren. Teuntje stond erom bekend in het dorp dat ze langskwam om geld te lenen van haar vader. Ik lees dat in ‘Het Sommelsdijkse geslacht Joppe’ gepubliceerd in 1975 door dr. J.L. Braber: “Als Teuntje haar ouders bezocht te Sommelsdijk fluisterde de familie: Teuntje is er, het geld is zeker op.” Arme Teuntje. Zoveel verdriet om negen gestorven kinderen en dan ook nog geldzorgen en een roddelende familie!

Ik dank mijn voornaam aan de Goereese familie. Margaretha. Te zien aan de initialen op de grafsteen van Cornelis en Margaretha Hendrika Joppe

Mijn vader bezocht nog wel familie op Goeree en Overflakkee. Nakomelingen van de Joppe’s, met de naam Buth. Ze waren van de zware gereformeerde kerk en mijn vader vertelde met trots hoe hij op de begrafenis van een (oud) tante getuigd had van haar geloof in Jezus en hoe hij zeker wist dat ze nu in de hemel was. Dit vanwege de sombere toespraak van de predikant vol twijfel over het geestelijk lot van deze vrouw.

Mijn vader had een soort gedurfde spontaniteit. Eenzelfde soort zwier wellicht die mijn overgrootmoeder Teuntje Joppe had aangetrokken in Frederik Buschman, mijn vader’s opa.

Hieronder nog een foto uit het boekje met de stamboom van de familie Joppe tot 1975. Foto is genomen op 11 augustus 1903, de dag van het zestigjarig huwelijksjubileum van mijn betovergrootouders. De stoel die hem cadeau werd gedaan staat tegenwoordig bij mijn zus te pronken. Een waar familie erfstuk.

%d bloggers liken dit: