Jammer genoeg, geen Koreaans vandaag

300px-Hangeul Ik was gevraagd door het hoofd van de basisschool mee te gaan naar een oudergesprek. Het betrof een Koreaanse vrouw die graag haar kind op de school wilde inschrijven. Aangezien het om een gereformeerde basisschool gaat is het toelatingsbeleid gematigd open. Je hoeft niet persé lid van een bepaalde kerk te zijn, maar het is wel belangrijk dat je gelooft in de grondslag van de school. In dit geval was het dus belangrijk om na te gaan wat de vrouw geloofde en of ze besefte wat voor soort school het was waar ze haar kind heen wilde sturen. Omdat haar Nederlands wellicht niet toereikend zou zijn werd ik gevraagd te assisteren.

Nu is mijn Koreaans behoorlijk roestig! Toen we 2 weken geleden onverwacht Koreaans bezoek kregen was ik letterlijk volkomen (Koreaans) sprakeloos. De meest simpele woordjes en zinnen kwamen me niet in gedachten. Gelukkig spraken de vrienden vloeiend Nederlands, zodat we toch nog een plezierige avond hadden! 

Maar na het verzoek mee te gaan begon het Koreaans wel weer op te borrelen. Ik kreeg er zin in. Die heerlijke Koreaanse geluidjes van instemming en be-aming, ook al ben je het ergens totaal niet mee eens. Nèèèè…met een sprongetje omhoog in het midden en dan langzaam afzakken naar beneden in toonhoogte. Of: Ahhhhh, nèèèè! Ahhhh=hoog, maar rustig en nèèèèè=laag en lang uitgerekt. Heerlijke taal. 

Ik heb helaas geen kans gekregen. De Koreaanse moeder kon zich goed redden in het Nederlands. Af en toe liet ik even een woordje vallen om te bewijzen dat ik ook wel wat Koreaans sprak, maar ze hield het Nederlands dapper vol. Mijn complimenten!

Een tweede leven voor alles – Korea 1980-1988

Ik heb de oorlog niet meegemaakt . Maar ik ben wel een kind van ouders die de 2e WO hebben meegemaakt en de crisis van de jaren dertig en niet uit rijke gezinnen kwamen. Dat vormde hen en vanzelfsprekend ook mij. Hun opvattingen over spullen en materiële zaken adem je in tijdens je kinderjaren. Grappig is dat sommige ervan al in die tijd spreekwoordelijk waren. Het zuinige beleg op je beschuitje wanneer moeder het smeerde was reden om haar niet de kans te geven dat te doen. Tenzij je het op bed geserveerd kreeg,’s zondagsochtends. Een likje boter en 10 korrels suiker, een droge hap die je wegspoelde met de erbij geleverde thee. Zo kon je in ieder geval wat langer blijven liggen tot je naar de kerk moest.

Zuinig opgevoed dus, hoewel mijn ouders geen krentenkakkers waren. Ik miste niks. We aten lekker, tenminste dat was mijn algemene indruk want ik lustte weinig, maar kreeg altijd een alternatief aangeboden. Mijn moeder kookte ook lekker en met aandacht. En toe was er immer yoghurt met suiker, of voor de liefhebbers, grutjes met stroop. Ik griezelde daarvan, maar er waren er onder mijn broers en zussen die het lekker vonden. Rijstebrij daarentegen vond ik heerlijk. Met boter en bruine suiker. En op zondag was er extra lekker eten en voor toe steevast vla.

Er waren in je omgeving  gewoon geen luxe artikelen, speelgoed of voedsel, wat maakte dat je ook niks miste. We woonden in een straat met mensen die allemaal zo’n beetje dezelfde levens leiden. Het onderscheid zat er meer in of en wie er naar de kerk gingen.

Een koelkast was luxe, die hadden wij pas laat geloof ik. En ook een normale wasmachine die zelf de was centrifugeerde. Mijn vader was een conservatief man die alles niet direct zo nodig vond, behalve een TV die we al heel vroeg hadden. Dat was pech voor mijn moeder, die wel bij haar zussen en vriendinnen de begeerde huishoudelijke artikelen zag verschijnen.

Wat me het meest aan die sobere tijd, zuinig op materialen, deed denken tijdens ons verblijf in  Korea in de jaren tachtig, was de vanzelfsprekendheid waarmee alles dat kapot was werd gerepareerd. Dat bracht onbewust opgeslagen kinderherinneringen terug. Poppen die naar de poppendokter gingen (een speelgoedzaak waar ze de touwtjes van armen en benen binnenin het lijf weer aan elkaar knoopten), kleding die versteld werd, sokken gestopt en gebroken servies gelijmd. Dat was niks bijzonders, dat gebeurde gewoon.

In Z- Korea, arm als het in de jaren tachtig nog was, was men zeer vaardig op reparatie gebied. Rubberen emmers werden genaaid met ijzerdraad wanneer ze een scheur vertoonden, apparaten als tv’s en radio’s werden eindeloos opgelapt. Langs de wegen zaten in rijen dik de naaisters die waar je bij stond ritsen inzetten, scheuren in kleding verstelden, een zoom ergens in- of uithaalden. De mooiste winkel vond ik die waar alleen paraplu’s werden verkocht én gerepareerd. Niks geen uit elkaar gewaaide paraplu’s in vuilnisbakken langs de weg. Alles, letterlijk alles, werd gerepareerd of opnieuw gebruikt. 

Dat gaf me een enorme voldoening. Ik heb een genetische aanleg tot recycling geërfd geloof ik. Ik heb er lol in en vind het fijn dat het weer in is tegenwoordig. Alles en iedereen verdient een tweede kans!

 

Een leger knoflookhaksters

Geluiden bepalen voor mij heel sterk de plek waar ik woon. Nu zijn het bijvoorbeeld de geluiden van krijsende zeemeeuwen en het getingel van de tram in de verte die me thuis doen voelen. Hoewel de meeuwen ook mijn slaap behoorlijk kunnen verstoren als ze in de zomer al om vijf uur aan hun dag beginnen.

Een van de eerste woningen die we hadden is voor altijd verbonden met het nare geluid van een schreeuwende zoon tegen zijn bejaarde vader. Die woonde op de eerste verdieping en was eigenaar van het pand. Een vriendelijke, oude man waar wij prima mee konden opschieten. Maar als zijn zoon op bezoek kwam hoorden we die al gauw met overslaande stem tegen zijn vader tekeer gaan. Wat de aanleiding was? We zijn het nooit te weten gekomen.

In Amsterdam kregen we ons eerste kind en ik associeer die woning ook met het snerpende huilgeluid van een pasgeboren baby. Waarschijnlijk door de verantwoording die bij zo’n eerste baby zwaar op mij drukte herinner ik me dat zo goed, de andere kinderen hebben minder indruk gemaakt.

Na verloop van tijd verhuisden we naar Zuid-Korea. In de tijd dat we daar woonden heeft een heel eigenaardig geluid zich in mijn geheugen gegrift. Dit keer geen gekrijs, geschreeuw of gehuil. Een warmer en ronder geluid. In iedere woning die we daar hadden (en dat waren er nogal wat) te horen. Het had met de meeuwen gemeen dat het ’s ochtends al heel vroeg waarneembaar was. Een hakkend, kloppend geluid van messen op hout. Uit alle huizen, of ze nu van steen of van hout, van rijke mensen of van arme waren steeg het op totdat een hele buurt ervan zong. Het gaf me een heel veilig gevoel van verbondenheid. Wie je ook was, ’s ochtends vroeg waren alle vrouwen bezig met het snijden en hakken van groentes, uien, vlees en knoflook voor het ontbijt van alle huisgenoten. Gehurkt op de vloer met een houten plank voor zich verenigden de vrouwen zich bij zonsopgang tot een groot leger knoflookhaksters. Ik verbeeldde me dan dat ik door alleen maar te snuiven mijn portie vitamine-C al binnen had.

Ik ben benieuwd of nu, 20-25 jaar later, het ontbijt nog net zo arbeidsintensief is als toen. Ik mis dat hakkende geluid nog wel, evenals het resultaat ervan, die heerlijke Koreaanse maaltijden!

Eten doe je zwijgend? – Korea 1980-1988

Koreanen houden van eten. Zo veel dat er tijdens het eten niet gesproken wordt. Nou ja, beperkt. Eigenlijk is eten zoiets speciaals dat we wel eens voor het eten uitgenodigd werden en in een apart kamertje werden geserveerd, terwijl de gastheer en –vrouw elders waren. Het voorzien worden van lekker eten was het teken van gastvrijheid, niet dat je daar eindeloos bij kletst met je gasten. Laat ze maar rustig genieten…

Maar ja daar zit je dan. We voelden ons toch niet erg welkom, hoe vaak we ook tegen elkaar zeiden dat het een cultureel verschil was. We hadden een donkerbruin vermoeden dat onze gastheer geen zin had in een moeizaam Koreaans/Engels gesprek….Dit was gelukkig de enige keer dat we alleen in kamertje werden gezet.

Maar het niet praten tijdens het eten is in zijn algemeenheid waar. Eerst eten, dit met veel geluid en gesmak en daarna eventueel praten.  In een restaurant krijg je voor dat praten echter nauwelijks de tijd. Je lege kom en alle andere schaaltjes en bakjes worden schielijk verwijderd en men verwacht dat je weer plaats maakt voor een volgende gast. Je eet niet voor de gezelligheid, maar om een volle buik te krijgen. Is dat bereikt dan is het tijd voor andere dingen.

Dit zijn herinneringen die alweer aardig wat jaren terug gaan. Ik vraag me af of het inmiddels anders is. Ik kan me voorstellen dat armoede en honger lang doorwerkt in een cultuur wat betreft eetgewoontes. Denk maar aan de generatie van na de oorlog in ons land. Nooit kliekjes weggooien, altijd je bord leeg eten enz. Wellicht dat het gebrek aan voldoende voedsel onder de meerderheid van de Koreaanse bevolking tot ver in de 20e eeuw het eetgedrag daarom zo beinvloedde. Eten is zo kostbaar, daaraan besteed je alle aandacht.

Onder zakenmensen was het een van de eerste lessen over de Koreaanse cultuur. Begin geen gesprek over zaken, ga niet onderhandelen tijdens het eten. Dat is de grootste vergissing die je maken kunt.  

Er had van alles kunnen gebeuren – Korea 1980-1988

Ik heb de afgelopen week een cursus EHBO voor kinderen gevolgd. Heel leerzaam en interessant. Vooral de reanimatie-training vond ik heel fijn om te leren. Verder was er een (verontrustend) onderdeel speciaal gericht op alles wat er met een kind gebeuren kan aan ongelukken, verwondingen, ziektes en zeertes. Vooral alle gevaren die een kind loopt wanneer er niet voortdurend een volwassene toezicht houdt werden flink uit de doeken gedaan. Niet alleen naar een speeltuin, niet zonder begeleiding ergens heen laten gaan, alles mag, maar niet alleen, want jonge kinderen overzien de gevolgen niet van wat ze doen.

Tijdens de les kreeg ik het langzaamaan lichtelijk benauwd. Ik heb nl. mijn kinderen al heel snel veel alleen laten doen, zonder toezicht, maar met de afspraak dat ze bepaalde dingen wel of niet zouden doen. Ik had toen de illusie dat het ok was. Het ging ook allemaal goed, ondanks de risico's die ze blijkbaar hebben gelopen.

Het gekke is dat het in die tijd in de Koreaanse maatschappij waarin we leefden een natuurijke keuze leek. Onze zoon ging nog voor hij vier was, tot zijn grote vreugde, naar de KOSINDIS, (Nederlandse schooltje waar een juf of meester uit Nederland les gaf. Het was een lokaal van de school waar mijn echtgenoot theologie doceerde). Omdat hij nog zo jong was ging hij maar een dagdeel. Dat betekende dat hij op de een of andere manier thuis moest komen. Daar hadden we wat op gevonden. De juf zette hem op de stadsbus en vroeg het busmeisje dat de passagiers de bus introk en uitgooide of ze op hem wou letten en hem bij die en die halte eruit wilde zetten. Vervolgens pikten wij hem daar op.

Als ik nu mijn kleinzoons zie, van 5 en 2,5 en ik stel me voor dat ik ze in een stad van 4 miljoen inwoners van de ene kant naar de andere zou sturen in de bus, op hun eentje, verklaar ik mezelf voor gek.

En toch. Er speelde waarschijnlijk mee dat we als buitenlanders een uitzonderingspositie innamen. De Koreanen waren vriendelijk, gek op kinderen en zorgzaam. Zo'n busmeisje was in haar rol als 'conducteur'  heel serieus, dus daar vertrouwden we ook op.

Het was ook een kwestie van roeien met de riemen die je hebt en de noodzaak van met beperkte middelen je doel zo goed mogelijk zien te bereiken. Onze zoon had er geen enkele moeite mee. Die wilde heel graag naar school, sprak genoeg Koreaans om vervelende nieuwsgierige Koreanen van zich af te schudden en wachtte geduldig tot een van ons hem ophaalde bij de halte. Ik vertel maar niet hoe schuldig we ons voelden toen we hem door een misverstand niet ophaalden en hij na een uur zelf naar huis terug kwam.

Ik had na deze EHBO cursus niet meer in Korea mijn kinderen durven opvoeden…

Het is een kwestie van balans – Korea 1980-1988

In Nederland verdronk ik de eerste jaren, na onze terugkomst van een verblijf in Zuid-Korea, in de was van een gezin van 6 personen. Onze Koreaanse hulp, die wij adzjoemoni noemden, miste ik pijnlijk. Ze was meer voor me geweest dan een hulp in de huishouding. Eerder had ze me geholpen staande te blijven in de nieuwe wereld waar ik in terecht was gekomen. Ik kende de cultuur niet, sprak de taal niet, kende de gebruiken niet. Zij was er drie of vier dagen in de week en op een heel natuurlijke wijze kreeg ik door haar meer vat op mijn Aziatische omgeving.

Het begon al toen ik nog maar een paar maanden in Pusan woonde. We waren net in ons eigen flatje getrokken in een complex met de weidse naam, Urim Mansion, op de 3e verdieping. Woon- en eetkamer, keuken, twee slaapkamer en een badkamertje. Helemaal niet slecht, zeker vergeleken met onze collega en zijn gezin die op de 1e verdieping waren beland en op een muur uitkeken. Wij keken naar overburen die nog in een primitief boerderijtje woonden.

De jongste was een maand of 6, de oudste 4 jaar. Samen sliepen ze op 1 kamer, dat ging prima voor zover ik me herinner.  Boodschappen doen was een uitdaging. Er waren supermarktjes, grote markten met groenten, vis, vlees, huishoudelijke artikelen en alles wat je maar bedenken kon. Maar zonder de Koreaanse taal te beheersen was het een hele toer de juiste spullen te vinden. De Koreanen spraken geen Engels en kregen onmiddelijk de slappe lach als we probeerden te communiceren. Ze waren in het geheel niet gewend met westerlingen om te gaan.

Als ik weg was paste adzjoemoni op. Dat ging goed, ze was lief en de kinderen mochten haar graag. Maar de eerste keer dat ik haar duidelijk probeerde te maken dat de baby om een bepaalde tijd moest slapen had ze grote moeite me te volgen. Ik snapte het niet waarom het zo moeilijk was. Een baby doet een dutje,(baby aanwijzen en bedje) en op mijn horloge liet ik de tijd zien. Eerst dacht ik dat het kwam omdat ze zelf geen horloge had, dus ik gaf haar het mijne. Ze bleef me aarzelend en onzeker aankijken, maar ik kon gaan.

Later, toen ik beter Koreaans sprak, vertelde ze me dat ze nog nooit op de klok had gekeken om een kind naar bed te brengen. Die combinatie kwam haar heel vreemd voor. Een kind slaapt wanneer het slaapt. Je bindt het op je rug en je ziet wel. Maar een kind wegleggen, helemaal alleen in een bedje, terwijl het nog wakker is, zelfs gaat huilen en dan de deur dichtdoen achter je, kwam op haar over alsof je je kind op straat te vondeling zou leggen. Een kind hou je ten alle tijden bij je.  

Toen onze derde daar werd geboren had adzjoemoni  helemaal de neiging om, ware het mogelijk geweest, een melding van verwaarlozing te doen. Een pasgeborene, moederziel alleen in een koude kamer (met kruikjes, dat wel) te slapen leggen en dan maar wachten tot het gaat huilen voor je het weer oppakt…Dat ging haar verstand werkelijk te boven en stak haar als een pijl in haar hart. Ernstig sprak ze me erop aan. Hoe ik dat nu doen kon….

Kijkend door haar ogen ben ik het ook wel vreemd gaan vinden dat we onze kinderen (toen) zo afzonderden. Consultatiebureaus en tradities hadden grote invloed. Rust, reinheid en regelmaat zijn nog steeds een gulden regel, maar de Aziatische aanvulling van de lichamelijke nabijheid van de moeder is wel heel waardevol. Gelukkig zie je tegenwoordig meer die koestering door het dragen van de baby in een draagdoek- of zak.  Het is een kwestie van balans. In Korea droegen de moeders 24 uur per dag de babies met zich mee. Ze sliepen er ’s nachts mee, en overdag droegen ze de baby op hun rug. Al het werk dat gedaan moest worden deden ze op die manier. Soms als de baby in een hele diepe slaap was legden ze het even neer, vlak in de buurt om wat gemakkelijker zich te kunnen bewegen. Maar nooit lang.

Daar zou ik dus gek van geworden zijn.

Zaandam

Zaandam. Onze eerste gemeente na acht jaar buitenland. Geen ervaring nog in de pastorie. Geen ervaring als huisvrouw in een Nederlandse context. Mijn hulp voor drie dagen in de week in Zuid-Korea had ik snikkend (zij en ik) achter moeten laten op het vliegveld van Pusan. Acht jaar had ze me bijgestaan. Met huishoudelijk werk (de was bijv.), met liefde voor onze vier kinderen zorgen, en meest nog wel met mij Koreaans leren spreken.

Adzjumoni en luuk, zomer 1980 Pusan Zij kende geen Engels dus ons contact bestond in het begin slechts uit moeizaam handen en voeten werk. Maar langzaam aan nam mijn kennis van het Koreaans toe en zij hielp me met het benoemen van de dingen waaruit het dagelijks leven bestond. Haar reacties en commentaar op onze (in haar ogen vreemde) gewoontes, gaf me mijn eerste kijkje in de intrigerende Koreaanse cultuur.

Na acht jaar was ik verknocht geraakt aan haar. Ze functioneerde enigzins als een moederfiguur, realiseer ik me. Ze was er altijd, zorgde, nam me zware dingen uit handen, was gek op de kinderen en was stand-by, zoals ik nu voor mijn kinderen en kleinkinderen ben.

Na acht jaar werd het dus weer Nederland, Zaandam. Een hoekhuis in een woonwijk, een tuin, een normaal Nederlands leven. Kinderen naar school. Naar muziek, naar sport. Echtgenoot toegewijd aan gemeentewerk en ik moest zoeken naar een andere levensinvulling.

Dat viel niet mee. Vrienden, die we nu nog hebben, hebben me daar zonder dat zij en ik het beseften doorheen gesleept. Door er te zijn met hun hartelijkheid en vriendschap. Gelukkig wel. Want wat is het een omschakeling.

Mijn scherpste herinnering is aan de eindeloze was, waar ik in verdronk. Ik had zelf nauwelijks ervaring met het bijhouden van de was voor een gezin van 6 personen. En opeens was dat het voornaamste karwei wat ik moest leren beheersen. Ik had er nachtmerries van. Overal in huis lagen er hopen was in verschillende stadia. Vieze was, in hopen lciht en donker, was in de machine die er nodig uitgehaald moets worden, natte was die nodig opgehangen moest worden, was die nodig van de rekken af moest, was die al lang gevouwen moest worden, en een berg strijkwas waar ik niet meer over heen kon kijken …Het kwam gewoon nooit klaar. Iedere keer weer zat die wasmand barstens vol.

Voorzichtig peilde ik bij andere vrouwen in mijn omgeving hoe zij ‘de was’ ervaarden, maar aan niets kon ik merken dat ze er een probleem mee hadden. Sommigen hadden het dan over ‘tussendoor’ dingen doen en ik vroeg me dan af wáár in vredesnaam tussendoor. Al het huishoudelijk werk was een grote brei voor me. Ik miste mijn Koreaanse adzjoemoni smartelijk.

Hollandse maaltijd

<!– /* Font Definitions */ @font-face {font-family:"Cambria Math"; panose-1:2 4 5 3 5 4 6 3 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:roman; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:-1610611985 1107304683 0 0 159 0;}@font-face {font-family:Calibri; panose-1:2 15 5 2 2 2 4 3 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:swiss; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:-1610611985 1073750139 0 0 159 0;} /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-parent:""; margin-top:0in; margin-right:0in; margin-bottom:10.0pt; margin-left:0in; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";}.MsoChpDefault {mso-style-type:export-only; mso-default-props:yes; font-size:10.0pt; mso-ansi-font-size:10.0pt; mso-bidi-font-size:10.0pt; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-hansi-font-family:Calibri;}@page Section1 {size:8.5in 11.0in; margin:1.0in 1.0in 1.0in 1.0in; mso-header-margin:.5in; mso-footer-margin:.5in; mso-paper-source:0;}div.Section1 {page:Section1;}–>

­­Een gedenkwaardige maaltijd in Pusan, Zuid-Korea, 1986

Ruim vijf dagen at ik, ziek als ik was, het eten van het Gospel Hospital in Pusan waar ik was opgenomen voor een operatie. Driemaal per dag soep met rijst en groente. Ik woonde tenslotte in Zuid-Korea. De keuken van het ziekenhuis was simpel en had slechts een menu, het Koreaanse. Wie anders wilde of het ziekenhuis eten niet goed genoeg vond, kon een eigen potje (laten)koken, door familie,  in de patientenkeukens waarvan er een aantal waren.

Na de operatie was al mijn eetlust verdwenen. De soeplucht bij het ontbijt, de warme plakrijst, de bijgerechten, het stond me tegen. Ik wilde weer eten zoals vroeger thuis. Kruimige aardappels, met kabeljauw in botersaus, zoals alleen mijn moeder die kon maken en worteltjes. Sucadelapjes, erwtjes en puree. De operatie, de spanning en pijn, het kwam allemaal tot ontlading in een verlangen naar Hollands eten. Het oerverlangen naar thuis.

Mijn zus Loes, juist in die periode op bezoek, bracht uitkomst. Zij ging naar de markt en zocht net zo lang tot ze de ingredienten had voor een Hollandse maaltijd. In de afdelingskeuken stortte ze zich tussen de Koreaanse dames om een plekje te veroveren achter het fornuis om daar een maaltijd te bereiden die mij troost bracht: een balletje gehakt, kruimige aardappels met jus, en spercieboontjes. Nooit heeft sindsdien een simpele Nederlandse maaltijd zo rijk gesmaakt. 

KosinDis 3 – na 21 jaar weer allemaal samen

1987_graduationday_seminary_en_scho<a href="http://batteaublog.web-log.nl/.shared/image.html?/photos/uncategorized/2009/09/06/kosindis_2009_2" onclick="window.open(this.href, '_blank',

1988

‘width=640,height=480,scrollbars=no,resizable=no,toolbar=no,directories=no,location=no,menubar=no,status=no,left=0,top=0′); return false”>Kosindis_2009_2 Kosindis_20092

1988 en 2009

1e rij
Suzy, Lukas, Kees en Albert
2e rij
Jesseka, Henk, Saskia en Jentine

KosinDis 2

Twee families vertrokken op een goeie dag naar Zuid Korea. Met elk twee kinderen. De oudste (die van ons) was nog geen vier, de jongste drie maanden (ook van ons). School was nog geen urgente zaak. Maar twee jaar later werd het tijd dat er iets in de plaats van de Koreaanse kleuterschool kwam waar de oudste twee kinderen inmiddels heen gingen. Ze hadden genoeg dansjes geleerd. Iets waar de Koreanen verzot op waren.

Onze eerste onderwijzeres kwam in 1983. Ze begon met een leerling in groep 3 en een leerling in groep 1. Beetje saai, maar het was maar een halve dag. De start van de school lag pas in de winter omdat het lang duurde voor alles (visum, tickets enz.)geregeld was. Ik werd dus min of meer gedwongen alvast thuis te starten met onderwijs. Dochter Jes was tenslotte zes en stel je voor dat ze achter zou raken.

Lees verder